Als het om kunstrijden gaat, weten de meeste mensen vaak wel een paar technische termen te noemen. Ook al zijn het volstrekte leken, de axel kennen veel mensen toch wel. Bij die termen blijft het dan ook meestal, want het valt nog niet mee om de term te koppelen aan de techniek.

Pirouettes
Bij pirouettes gaat het over het algemeen makkelijker dan bij sprongen, want namen zoals de zitpirouette, de zweefpirouette en de hemelpirouette laten weinig aan de verbeelding over. Met de invoering van het nieuwe jurysysteem zijn er wel veel meer variaties op de basisposities gekomen. Een aantal voorbeelden: ‘vogelnestje’, ‘broken leg’ en ‘paddenstoel’. Ook daar is met een beetje fantasie wel een beeld bij te vormen. Die namen staan soms ook niet officieel vast, maar worden omschreven.

Sprongen
Bij de sprongen is dat niet het geval. Dat zijn er zes: axel, salchow, spot, flip en lutz. De spot wordt ook wel cherryflip of toeloop genoemd. Grofweg is er een verdeling te maken tussen sprongen die van een kant worden afgesproken en sprongen waarbij ook de punt van het ijzer bij de afzet wordt gebruikt. De axel, salchow en rittberger zijn de kantsprongen. De spot, flip en lutz de priksprongen.

Een rijder roteert bij alle sprongen dezelfde kant op. Zijn voorkeurskant kiest hij zelf. De meeste rijders springen linksom. In dat geval worden alle sprongen geland op het rechterbeen, op de buitenkant van het ijzer. Bij de voorkeursrotatie rechtsom, landt de rijder alle sprongen op links buitenwaarts. 

Kantsprongen
De axel is de enige sprong die van voren wordt afgesprongen. Daardoor bevat deze sprong dus ook altijd een halve draai meer dan de andere dubbele of drievoudige sprongen. Door de extra halve draai is de axel vaak een sleutelsprong, een punt waarop veel rijders blijven steken.

De salchow wordt afgesprongen van achterwaarts binnenwaarts. Het afzetbeen is het andere been dan het been waarop geland wordt. Bij de rittberger springt de rijder juist van hetzelfde been weg als waar hij op landt. De afzet bij de rittberger is van achterwaarts buitenwaarts, net zoals de landing.

Priksprongen
De spot is voor de meeste rijders de makkelijkste priksprong en dit komt ook tot uitdrukking in de waarde die de sprong van het technisch panel krijgt. Bij de afsprong van de spot glijdt de rijder achterwaarts op één been; de landingsvoet op de buitenkant. De andere voet prikt achter in het ijs, waarna de rijder de rotatie inzet.

Bij de flip en lutz is dit andersom; daar prikt de rijder in met de voet waar hij ook op landt. De rotatie-inzet van de flip en lutz is daardoor meer gesloten dan die van de spot. Het verschil tussen de flip en de lutz zit in de kant van de voet waarmee niet ingeprikt wordt. Bij de flip is dit de binnenkant op het moment van afsprong en bij de lutz de buitenkant.

Om de elementen echt te gaan herkennen is er slechts één remedie: veel kijken en het liefst zelf doen!

Meer tips lezen? Je vindt ze op schaatsen.nl/tips.