’’Klote’’, verzucht Christiaan Hoekstra. Het woord komt uit uit het diepst van zijn hart. Juist op het moment dat de lange schaatser uit Stompwijk bij zijn nieuwe ploeg AB Vakwerk zijn draai lijkt te vinden, gaat het weer mis. ’’Dat gevoel heb ik zelf ook’’, beaamt hij. ’’Ik voelde en merkte dat ik steeds beter ging rijden. In de Vierdaagse was die laatste dag nog net even te veel, maar de andere drie heb ik genoten. De conditie is ook goed. Ik kon op Flevonice vanaf het begin volle bak, dat zegt wel wat. Ik heb eindelijk de goede balans gevonden tussen trainen en wedstrijden, had veel zin in de komende periode, en dan gebeurt dit.’’
‘Dit’ is een beroerde valpartij in het duister van Flevonice. Hoekstra haalt de situatie zo weer terug. ’’Ik zat in de kopgroep, reed denk ik mijn beste wedstrijd van dit seizoen. Maar opeens ligt Frank Vreugdenhil op het ijs. Jan van Loon en nog iemand zaten voor me en we duiken er alle drie overheen. We konden geen kant meer op.’’
Hoekstra voelde de klap op de rechterschouder, waarvan hij drie maanden geleden ook al het sleutelbeen brak. ’’Het voelde een beetje hetzelfde als de vorige keer. Ik had weinig pijn, kon mijn arm laten hangen en ook bewegen. Maar de volgende ochtend was het dik en stijf en besloot ik toch een foto te laten maken in het ziekenhuis. Daar bleek dat zelfs het plaatje was gebroken, dat de vorige keer was gemonteerd.’’
Dat was opmerkelijk. Vond ook de arts van wielerploeg Lotto/Jumbo die hem de vorige keer opereerde. ’’Ik belde hem om ook even naar die foto te kijken. Toen ik vertelde van het kapotte plaatje, leek dat hem heel stug. Had hij nog nooit meegemaakt. Maar nadat ik de foto stuurde, belde hij drie seconden later al op. ‘We kunnen iets nieuws toevoegen aan het lijstje van mogelijkheden met een sleutelbeenbreuk’, zei hij. Maar ja, die uitzondering wil ik niet zijn. Zeker niet op dit moment.’’
Want Christiaan Hoekstra gaat dinsdagochtend onder het mes in het Alrijne Ziekenhuis in Leiderdorp, waar uitstekend met de schaatser werd meegedacht. ’’Dat ik zo snel terecht kan, is top.’’ Maar de Stompwijker beseft ook wel dat het NK vijf dagen later een heel moeilijk verhaal gaat worden. ’’Dat is natuurlijk enorm balen. Daar keek ik heel erg naar uit. Ik kan weliswaar veel gewone dingen doen, maar schaatsen is iets anders. Ik moet niet weer op die schouder vallen. Als het nog een keer breekt, hebben ze geen bot meer over om schroeven in kwijt te kunnen.’’
Dat hij in korte tijd zoveel fysiek leed kent – vorig seizoen raakte zijn schouder al uit de komt in Enschede – is ook voor Hoekstra nieuw. ’’Het is gewoon heel domme pech. Ik heb drie jaar bij de elite gefietst, ben heus wel eens gevallen. Maar ik had nooit wat, had een leeg dossier in het ziekenhuis. En in drie jaar schaatsen overkomt dit me allemaal. Ongelooflijk.’’
Hoekstra wil ook best een kritisch noot kraken. Zonder rancune of boosheid, haast hij zich te zeggen. ’’Want ik vind rijden op Flevonice geweldig, geniet van die wedstrijden en vind het prachtig dat we in Nederland ook buiten het reguliere kunstijs een andere race kunnen rijden. Maar ik wil wel opmerken dat we in het marathonschaatsen heel veel aandacht aan veiligheid geven. Helmen, snijvaste pakken; allemaal prima. Maar dan wel een heel peloton een baan op sturen waar geen machine overheen kan, zodat het ijs totaal stroef is en zo hard als de gewone weg, en dat ook nog eens nagenoeg zonder belichting; dat kan dan eigenlijk niet. Kijk wat er met Jasper van Mierle gebeurd is. Nekwervelbreuk en zware hersenschudding. Dat zit gewoon in de categorie Christijn Groeneveld en Martin van de Pol. Als dat op kunstijs gebeurt, gaat alles los. Nu hoor ik niets.’’
Christiaan Hoekstra zegt nog maar eens dat het niet is omdat hij nu zelf gevallen is. ’’Maar dit zet je wel aan het denken, hoe mooi ik rijden op Flevonice ook vind. Ik besef ook wel hoe moeilijk het is. Als je daar echt veilig wilt rijden, moet je drie kilometer boarding neerzetten van anderhalve meter hoog. Dat gaat niet gebeuren. Maar het verdient wel onze aandacht.’’