Ze probeerde zichzelf voor de start nog even extra op te peppen en dat was wellicht net te veel van het goede. “Misschien was ik wat te geforceerd.” Enkele passen na haar start maakte ze een misser, die haar flink wat tijd kostte. “Dat gebeurde na 25 of 30 meter en dan ben je eigenlijk al klaar. De laatste 300 meter gingen wel goed.”

Haar allereerste race op een WK Sprint besloot Ter Mors zo in 38,54, wat haar de zesde plek opleverde. Op de 1000 meter had ze dus wat goed te maken, wilde ze in de race om de wereldtitel blijven. Dat lukte. In een baanrecord van 1.15,09 won ze de kilometer. “Die was perfect.”

Ze had weinig moeite gehad om de teleurstelling van de 500 meter van zich af te schudden. “Dat is een mindset waarmee je zo’n wedstrijd in gaat”, legde ze uit.

Met veel vertrouwen kijkt Ter Mors naar de dag van morgen. Als ze een betere 500 meter rijdt, kan ze nog altijd met een gouden medaille naar Nederland terug. Hoeveel sneller het kan, vindt ze lastig in te schatten. “Vandaag ging er iets mis, maar je weet nooit hoe groot dat ‘iets’ is.”

Sprinters spreken altijd over vier goede afstanden, maar de praktijk leert dat het vaak op drie goede races aankomt en één niet al te slechte. Die niet al te slechte heeft Ter Mors al achter de rug. Een ding weet ze daarom zeker. Wil ze haar debuut als wereldkampioene afsluiten dan mag ze geen fouten meer maken.  “Ik kan me niet nog zo’n dag permitteren.”