“Schaatsen is een mooie bezigheid”, zegt Klaas Hulst, een fitte tachtiger uit het Drentse Veeningen. Twee keer per week rijdt hij nog zijn rondjes op het superijs van Thialf. Dat houdt hem fit van lijf en geest. “Ik denk dat schaatsen op allerlei fronten een gezonde sport is. Het is ook een eerlijke sport, want de klok liegt nooit. Je bent niet afhankelijk van een jury, alleen de tijd telt.”
De tijden die hij nu anno 2025-26 rijdt, verdienen respect. Natuurlijk gaat zijn 500 meter stukken langzamer dan de krap 34 seconden waarin Jenning de Boo die afraffelt. Maar Hulst rijdt de 500 meter nog altijd ruim binnen de minuut: 57,64 seconden is zijn beste tijd van dit seizoen. Belangrijker dan die tijd is het plezier dat hij aan de sport beleeft.
Die liefde voor het schaatsen leidt hem nu naar het Oostenrijkse Innsbruck, waar op 24 en 25 januari het WK Sprint voor masters wordt verreden. Het weekend daarna (30 januari – 1 februari) pakt Hulst ook het WK Allround voor masters mee, in het Duitse Inzell. Hij is bij beide toernooien de oudste Nederlander die aan de start verschijnt. “Dat word je vanzelf, als je het lang genoeg volhoudt.”
Als jong ventje leerde hij schaatsen op een weiland achter zijn ouderlijk huis aan het Oranjekanaal. Als dat stuk grond onder water stond en het begon te vriezen, konden ze daar al snel terecht om te schaatsen op natuurijs. “Je kon er gauw een rondje maken van honderd meter. Als je zes jaar bent, is dat al een heel eind.”
Het schaatsen ging kleine Klaas goed af. Via schoolwedstrijdjes op de Drentsche Hoofdvaart nam hij later ook deel aan kortebaanraces op natuurijs. “Alleen al in Smilde had je drie ijsbanen en die hadden elk hun eigen wedstrijd. Daar was ik altijd van de partij. Je kon er geldprijzen winnen, of waardebonnen voor de plaatselijke bakker of slager. Dat leverde een mooi zakcentje op.”
Waar zijn – tien jaar jongere - provinciegenoot Piet Kleine het later schopte tot olympisch kampioen op de 10 kilometer, was een schaatsloopbaan voor Klaas Hulst niet weggelegd. Als jongvolwassene ging hij het onderwijs in, voetbal werd zijn favoriete hobby. “Ik heb tot mijn 39ste in het eerste elftal van de VV Zuidwolde gespeeld.”
Toen aan het voetbal een einde kwam, pakte hij zijn liefde voor het schaatsen weer op. In Assen was een kunstijsbaan neergezet; wachten op natuurijs was niet meer nodig. Samen met enkele schaatsvrienden richtte hij in 1992 een vereniging op: IJshazen. Die club telde in zijn hoogtijdagen ruim tweehonderd leden, nu zijn dat er nog zo‘n 75.
Hulst volgde een opleiding bij de KNSB en ging schaatstraining geven. Terwijl hij clubgenoten klaarstoomde voor hun wedstrijden, kreeg hij eens de vraag: ‘Waarom rijd je zelf niet mee?’ Die uitdaging pakte Hulst graag op. Hij reed een 500 meter in Dronten, werd meteen derde en kreeg de smaak te pakken. “Zo ben ik het circuit van de masterwedstrijden ingerold.”
We zijn nu ruim dertig jaar verder. Met een vast clubje IJshazen trekt Klaas Hulst in de wintermaanden elke dinsdag en vrijdag naar Thialf. Met enige regelmaat pikt hij zijn wedstrijdjes mee, van trainingswedstrijden en tot en met WK’s. En ja, daar rijdt hij ook geregeld in de prijzen. Thuis heeft hij intussen een aardige collectie medailles, inclusief diverse gouden exemplaren.
In het mastercircuit ken je categorieën van vijf jaar, Hulst komt nu uit bij de mannen 85. Een blik op de deelnemerslijsten leert dat hij de enige is in zijn leeftijdsklasse, zowel in Innsbruck als Inzell, wat betekent dat hij automatisch wereldkampioen is als hij straks heelhuids over de finish komt. “Wereldkampioen wil ik het niet noemen. Maar ik heb dan wel een eerste plaats behaald.”
Aan WK’s neemt Hulst slechts deel als die in eigen land worden verreden, of op een andere goed aanrijdbare plek. “Dit dubbele WK komt prima uit”, zegt Hulst. “Innsbruck ken ik nog niet, maar Inzell voelt voor mij straks als thuiskomen. Daar ben ik jarenlang elke kerstvakantie met het gezin naartoe geweest. Daar hadden we de white christmas waar je in Nederland altijd van droomde.”
Op de ijsbaan van Inzell heeft Hulst vele honderden kilometers schaatsend afgelegd. “Je kwam daar altijd dezelfde mensen tegen, onder wie Leen Pfrommer (oud-bondscoach, red.) en meer van die ‘oude knarren’. Met een man of vijftien schaatsten we elke dag een tot anderhalf uur. Mijn vrouw hield er ook van, zij was een echte stayer, zelf ben ik meer een sprinter. Van dat groepje zijn de meesten helaas overleden.”
Zelf is de gepensioneerde onderwijzer ‘still going strong’. In de zomer zit hij veel op de fiets, of traint hij op de skeelers. Bang om te vallen is hij niet. “Ja, dat kan gebeuren. Maar als er iets dreigt, stuur dan snel het gras in, dat valt wat zachter.” De dokter ziet hij alleen voor het halen van de griepprik. “En dan vraagt-ie altijd: schaats je nog?” Groente eet Hulst bij voorkeur uit eigen tuin. Verder heeft hij geen geheim recept om gezond ouder te worden. “Als je een beetje oppast met alles, kun je ver komen.”