Vier jaar eerder, voor de allereerste echte Winterspelen in Chamonix, werd er nog geen Nederlandse ploeg afgevaardigd, waardoor het toernooi in Zwitserland niet alleen voor Van Laer een primeur was.

De schaatsofficial trok met een ploeg van zeven mannen, bestaande uit vijf bobsleeërs en de langebaanschaatsers Siem Heiden en Wim Kos, naar Sankt Moritz voor de eerste ‘Nederlandse’ Spelen, die opmerkelijk genoeg ook nog echt in ons land plaats hadden gevonden, als Nederland de organisatie niet terug had gegeven aan het IOC.

De achterstand van de Nederlanders op de internationale toppers was in de jaren daarvoor vanwege het gebrek aan training steeds groter geworden. Van Laer vroeg in de aanloop naar ‘Sankt Moritz’ dan ook aan de Finse langebaankampioen Clas Thunbergs of hij een trainingsprogramma samen wilde stellen. Deze deed dat, maar medailles leverde dat in Zwitserland nog niet op. Een elfde plaats van Heiden op de 5000 meter bleek het hoogst haalbare voor de Nederlanders.

De hoop was echter dat de verbeterde trainingen ervoor zouden zorgen dat er in de toekomst wel iets te halen viel. Van Laer kreeg ondertussen echter de nodige kritiek te verduren. De trainingsfaciliteiten in Scandinavië stonden algemeen bekend als de beste ter wereld, maar de Nederlanders moesten het doen met het Zwitserse Davos.

Het feit dat Van Laer daar geïnvesteerd had in de plaatselijke hotelbranche en er zodoende financieel beter van werd als men daar zou trainen, leverde scheve gezichten op. Olympiër van het eerste uur Heiden liet in 1935 dan ook optekenen. "De heer van Laer is een man wiens haan koning moet kraaien. Van de training deugde dit jaar maar weinig."

Een jaar later was het echter toch weer Van Laer die voor de tweede keer als chef de mission afreisde naar de Winterspelen. In 1932 had Nederland geen sporters afgevaardigd naar Lake Placid, maar in het Duitse Garmisch-Partenkirchen was men wel met acht sporters, waaronder vijf langebaanschaatsers van de partij. Heiden mocht vanwege de kritiek op Van Laer echter niet mee.

En dus moesten Sjef Blaisse, Lou Dijkstra, Jan Langedijk, Dolph van der Scheer en Roelof Koops voor het eerste Nederlandse olympische schaatssucces zorgen. Alle geleverde trainingsarbeid in de voorgaande jaren ten spijt, ook nu lukte het niet. Al kwam Langedijk met een vierde plaats op de 5000 meter nog behoorlijk dichtbij.

Van Laer slaagde er als chef de mission dus niet in om met een plak naar huis te komen. Claas van den Houten zou bij de Winterspelen van Oslo in 1952 de eerste zijn die dat wel lukte, met zilveren medailles voor Wim van der Voort (1500m) en Kees Broekman (5000- en 10.000m).

Aftellend naar de Olympische Winterspelen in Sotsji belicht schaatsen.nl elke dag een olympisch moment.