Het is twee avonden na de nooit eerder vertoonde show die Mathieu van der Poel uitrolde op de beroemdste finishstraat van een wielerkoers, de Champs Elysées. Zijn zege in de slotetappe van de Tour de France zal straks in de jaaroverzichten van de sportrubrieken op tv-zenders all over the world als hét utopische hoogtepunt de huiskamers worden in geslingerd. Geen enkele twijfel. Zijn zege, én de manier waarop die tot stand kwam was zó intens. Hoe ongelooflijk diep had meneer in zijn reserves moeten tasten? Dat doen weinigen hem na.
Op een camping in de Auvergne schreeuwde het gezin Hoogeveen zondagavond de longen leeg toen Van der Poel aan zijn laatste galop bezig was. Eerder in de week had oud-marathonschaatser Jouke Hoogeveen met zijn dochter de start van de Tourrit in Gap bezocht. Het duo zag Van der Poel in de menigte en wat opviel: “Dat enorme fanatisme op zijn gezicht. Zjezus, dacht ik, die is nog niet uitgeblust en heeft vast nog plannen! Wat heet hè. Niet normaal wat hij zondag in Parijs deed. Niet een onmogelijk ding, maar een heleboel dingen tegelijk.”
Jouke, wederom enthousiast terwijl hij de iconische beelden opnieuw voor de geest haalt: “Hij bleef een jagend peloton voor. Hij reed de beste wielrenner van de wereld, nee, de beste coureur aller tijden eraf, en hij deed dat na drie weken koers en twee verschrikkelijk zware bergetappes. Waar hij bovendien niet voor is gemaakt, want hij is een renner voor eendaagse wedstrijden. Dus drie of vier onmogelijke dingen die hij uithaalde. En dan zie je ook wel dat het fysiek (hij grinnikt) ook het een en ander kost.” Dan heel droog: “Ongelooflijk en heel leuk om te mogen meemaken.”
Op de vraag of Hoogeveen, op de schaats een toonbeeld van een stoere krijger voor wie figuurlijk de dood erg vaak op de loer lag wanneer hij een oogje wierp op de gladiolen, ooit zo is ‘gestorven’ door een soortgelijke, onmenselijk zware inspanning, moet hij even nadenken. Er schiet een moment in gedachten. 2013, Alternatieve Elfstedentocht op de Weissensee. “Het leverde mij geen overwinning op; wel een derde plaats in een van de meest legendarische tochten op de Weissensee, met onstuimige sneeuwval die het schaatsen gigantische bemoeilijkte. We zagen niet waar we reden en daardoor viel ik zowat in elke scheur. Mijn ploegmaten brachten me steeds terug naar voren, totdat ik gebutst en gehavend achteropraakte. Simon Schouten ontweek alle scheuren en won, voor zijn teamgenoot Frank Vreugdenhil.
“In de finale schaatsten er tien of twintig anderen voor me. Henk Gemser, mijn coach in die tijd, stond op het ijs en maakte bewegingen zoals we van hem gewend waren van de langebaan: mooi lange schaatsbewegingen met de armen zoals we dat op televisie altijd zagen. In gesprek komen met het ijs, die verhalen, je kent het wel. Ik dacht alleen Oké, nu nergens meer aan denken, niet meer op de scheuren letten, maar zo hard mogelijk schaatsen. Dat heb ik toen gedaan. Waarschijnlijk was het puur geluk in die laatste ronde, want ik haalde iedereen in, behalve de eerste twee. Martijn van Es rekende ik in vlak voor de streep, genoeg voor de derde plek die als een overwinning voelde. Ik kon het niet meer vieren, omdat mijn arm niet meer de lucht in wilde. Mijn hele schouderpees was afgescheurd door de vele valpartijen. Het enige dat ik kon, was op het ijs neerstorten en huilen. Lachen kon echt niet. Het gevoel wat me overviel, moet te vergelijken zijn geweest met wat Mathieu heeft beleefd. Denk ik. Nee, ik hoefde heus niet aan mijn race terug te denken toen hij zondag zo prachtig won. Nu me ernaar wordt gevraagd, komt het op. Nee, mijn vrouw en ik keken met blijdschap, verwondering, ontzag en respect naar zijn prestatie.”
Waar hij het vandaan haalde, ook stayer Jorrit Bergsma die ettelijke gevechten heeft gevoerd met stugge tegenstanders en de doortikkende klok, heeft er geen antwoord op. “Hoe kon die vent op de laatste vijftig meter nog uit het zadel klimmen om op zijn pedalen te gaan staan, terwijl hij al stuk zat? Dat lichaam was leeg! Toch bleef hij fietsen omdat hij hoop hield op de best denkbare ontknoping”, zegt de veertiger van Team Albert Heijn Zaanlander nog verbaasd. “Volgens mij kun je niets met deze uitbarsting vergelijken. Al moet ik toegeven: tijdens mijn tien kilometer op het Olympisch Kwalificatietoernooi afgelopen winter moest het ook van héél ver komen.”
Toeval of niet, Bergsma vertelt eerder op de dag die memorabele wedstrijd terug te hebben gekeken. Op viertiende van een seconde stelde hij de tweede plaats veilig, waarmee hij zich verzekerde van een startbewijs voor de Spelen van Milaan op de langste afstand. Het bleek een vruchtbaar zaadje, want twee maanden later kon hij olympisch brons oogsten.
“Stijn van de Bunt had een tijd gereden die voor mij die dag onhaalbaar was. Daarnaast kwam Marcel Bosker tot een superscherpe tijd, vooral dankzij een heel sterk slot van zijn race. Ik wist dat ik niet boven zijn rondetijden mocht komen. Mijn wedstrijd liep meteen niet zoals ik had gewild, het werd al vlug werken waardoor ik geen afstand kon nemen van Boskers tijd. Het werd rijden op de grens van mijn kunnen, zeker de laatste twee of drie ronden. Alles moest ik eruit persen. Het zag zwart voor m’n ogen, maar ik bleef net aan de goede kant van de score. Niets kon ik meer, niet denken, niet juichen, niet praten. Ik stortte op een bank naast de baan en bleef vijf minuten of zo uithijgen. Alles deed pijn, mijn longen brandden, en het lichaam verkeerde in een shock omdat alles was ontregeld. Ik zou er een paar dagen last van houden.”