Jose Fazio in juli 2008 in training op het Laguna Victoria bij Ushuaia (Zuid-Argentinië)
Het langebaanschaatsen wordt de laatste jaren steeds meer een elitesport. Doelbewust probeert de ISU door steeds strakkere limiettijden het aantal deelnemers aan World Cups (en ook aan EK en WK-sprint) te beperken. Enkele voorbeelden van limiettijden illustreren dit. In het seizoen 2008/08 volstonden 500-metertijden van 37,5 (heren) en 41,0 (dames) voor deelname. Dit seizoen zijn de limieten opgetrokken naar 36,5 en 40,2.
De wereldrecords zijn in de afgelopen twee jaar echter nauwelijks of niet verbeterd: Jeremy Wotherspoon’s 34,03 staat al sinds 2007, Jenny Wolf wist haar 37,02 van 2007 vorig seizoen te verbeteren tot 37,00. De limiettijden voor deelname aan de World Cup voor junioren laat een nog veel extremere stijging zien. Twee jaar geleden mocht je meedoen als je minimaal 40,5 (jongens) of 45,0 (meisjes) had gereden, nu moet je al minstens 38,0 of 42,0 op je naam hebben staan.
Het argument van de ISU voor de steeds strakkere limiettijden is van financiële aard: om de kosten te drukken moet het aantal deelnemers beperkt worden. De vraag is echter of steeds strakkere limiettijden de juiste weg zijn. Het langebaanschaatsen heeft immers van alle schaatsdisciplines al het kleinste aantal deelnemende landen.
Begrijpelijk, want 400-meter kunstijsbanen zijn, in tegenstelling tot ijshockeybaantjes, maar in weinig landen beschikbaar. Door de steeds strakkere limieten wordt het voor nieuwe landen daardoor steeds moeilijker om zich te plaatsen voor World Cups of voor EK’s en WK’s. En wie zich niet kan plaatsen heeft vrijwel geen kans om sponsors aan te trekken.
Argentinië, één van de weinige nieuwe landen die zich de afgelopen jaren meldde bij het langebaanschaatsen, is een goed voorbeeld om te illustreren hoe desastreus het limietenbeleid van de ISU is. Vijf jaar geleden meldde Jose Fazio zich als eerste Argentijnse langebaanschaatser bij een World Cup. Met persoonlijke records van 36,9 en 1.12,1 wist hij zich afgelopen twee seizoenen te kwalificeren voor het WK-sprint. Omdat dit kampioenschap in Nederland live op tv komt, was hij in staat om net genoeg sponsor-geld te verwerven om zijn schaatshoofd boven het ijs te houden.
Dit seizoen werden de limieten voor het WK-sprint echter verder omlaag geschroefd naar 36,25 en 1.11,5. Het dilemma voor Fazio was groot: als hij de limieten niet zou halen zou hij het WK-sprint missen en dus geen sponsorgeld incasseren. Hij vond dat risico te groot en besloot daarom dit seizoen te switchen naar short track. De keuze was begrijpelijk: in het short track bestaan geen limiettijden. Elk land mag minstens één rijders afvaardigen naar het WK. Omdat elk ISU-lid een extra financiële bijdrage krijgt van de internationale bond bij deelname aan een WK was de keuze nog begrijpelijker. Door te switchen naar short track verzekert Fazio zich van een minimaal inkomen.
Het meten met twee maten door de ISU is desastreus voor de ontwikkeling van het langebaanschaatsen. Waar je zou verwachten dat de duurste en minst toegankelijke tak van het hardrijden de minst strenge eisen aan deelname zou stellen, gebeurt in de praktijk het omgekeerde. De gevolgen laten zich zien: bij het short track melden zich steeds weer nieuwe landen (recentelijk Taiwan, Turkije en India), bij het langebaanschaatsen vallen er steeds meer af.
Naast Argentinië missen we dit seizoen ook Spanje, België, Griekenland en Hongarije. Laat de ISU deze ontwikkeling doorgaan, dan komt onvermijdelijk ook de Olympische status van het langebaanschaatsen in gevaar. En Jose Fazio? Die maakt komend weekend zijn debuut bij de World Cup short track in Sjanghai. De World Cup langebaan in Obihiro zal het zonder Argentijnen moeten stellen. Als de ISU het limietenbeleid niet wijzigt is het de vraag of er ooit nog een Argentijn op de langebaan te bewonderen zal zijn.
Marnix Koolhaas is onder andere schaatshistoricus en schaatscoach van Argentinië. Tevens schrijft hij voor het magazine 'schaatssport'.