Dat heeft vooral met de manier van rijden te maken. “Het niveau op een EK is anders”, zegt Knegt aan de vooravond van het toernooi. “De rijders kijken heel anders tegen elkaar aan.”
Tijdens de World Cups worden losse afstanden verreden en kunnen de rijders af en toe wat risico nemen, zeker de shorttrackers die mee kunnen doen om de medailles. Op een EK moeten juist die toprijders voorzichtiger zijn, want het mislopen van een finale kunnen zij zich niet permitteren, legt Knegt uit.
Voor de subtoppers ligt dat precies andersom. Zij kunnen juist door risico’s te nemen boven zichzelf uitstijgen. “De mindere goden kunnen gokken.”
Zelf deed hij dat bij het laatste EK in Nederland ook al. In 2011 werd hij in Heerenveen tweede. “Toen nam ik ook veel risico’s om de finales te halen.” Nu is Knegt echter een gearriveerd rijder voor wie alleen de titel geldt. Hij zal, zeker tot de finale, op safe moeten spelen.
In die finales zal hij hoogstwaarschijnlijk steeds op zijn aartsrivaal Viktor An stuiten. “Ik heb geen idee hoe hij ervoor staat. Hij heeft maar twee World Cups gereden en daarna heb ik hem niet meer gezien.”
“Het is sowieso van tevoren moeilijk te zeggen wat hij zal doen. Dat is altijd een verrassing. Hij kan alles”, aldus de Fries. “Hij verrast steeds opnieuw zijn concurrenten.”
Zelf is Knegt een zelfde soort rijder en flinke tegenstand haalt alleen maar het beste in hem naar boven, denkt hij. “Hoe beter de concurrentie, hoe beter ik presteer. Hoe zwaarder de loting hoe beter.”