De Clafis-rijdster staat aan de vooravond van haar tweede WK Afstanden. In 2000 debuteerde ze. Toen waren de kampioenschappen in Nagano en werd Kleibeuker vierde achter Gunda Niemann, Claudia Pechstein en Tonny de Jong.

In de zestien jaar erna is er veel gebeurd. Ze stopte met langebaanschaatsen, kwam terug en won brons op de Spelen in Sotsji. Maar vorig jaar miste ze de WK Afstanden. Dat was een fikse teleurstelling en dit jaar wilde ze dat maar wat graag goedmaken. Op de KPN NK Afstanden plaatste ze zich overtuigend. “Ik ben er, maar nu moet het nog gebeuren”, zegt ze in Kolomna.

Goud dus, dat is de bedoeling. “Maar dat wordt nog knap lastig. Martina Sablikova is heel goed”, geeft Kleibeuker toe. “En vooralsnog is ze steeds beter geweest, al heb ik haar wel een keer een tikje gegeven.”

Ze doelt op de World Cup in Salt Lake City waar Kleibeuker in de B-groep in een nieuw Nederlands record van 6.45,05 sneller was dan de Tsjechische in de A-divisie. “Het zal moeilijk zijn, maar dat werkt alleen maar motiverend.”

Als 5000-meterspecialiste heeft Kleibeuker nog een nadeel ten opzichte van Sablikova. De loting gebeurt op basis van de wereldbekerstand, maar daarin zijn zowel de drie als de vijf kilometer meegenomen en staat de Nederlandse dus laag. “Ik start dus vroeg. Ze kan op mijn tijd rijden. Dat is niet in mijn voordeel.”

Dat Sablikova in tegenstelling tot Kleibeuker op donderdag ook al een drie kilometer rijdt, is geen voordeel, denkt ze. “Dat maakt niets uit.”

Het wordt dus vechten en de kans is aanwezig dat ze helemaal geen goud zal pakken. Kleibeuker is realistisch genoeg om daar rekening mee te houden. “Als ik geen goud pak dan zal ik niet heel erg teleurgesteld zijn, maar ik wil het wel heel graag.”

Dat klinkt misschien vreemd – het graag willen, maar geen teleurstelling als het niet lukt, maar zo beleeft Kleibeuker haar sport. “Ik ben niet een echte winnaar, maar ik wil wel iets het beste kunnen”, vat ze het samen.

Als ze traint is niet bezig met het resultaat van de wedstrijden die ze voor de boeg heeft, maar met de beweging van het schaatsen en de beheersing van haar sport. “Ik wil elke training het best doen”, legt ze uit. “Daarin ben ik soms mijn grootste vijand.”

“Als het in het begin van een training niet zo lekker loopt, dan geef ik mezelf op mijn flikker. En vaak gaat het daarna wel goed en soms niet. Dat is het spel waarom ik nog steeds schaats. Een medaille is een beloning daarvoor.”

Zo zit het. De trainingen waarin ze zichzelf heeft toegesproken, opgejut en afgemat vormen de kern van haar sport. Dat motiveert haar en ze kan ervan genieten, maar de uiteindelijke beloning zou zestien jaar na haar debuut toch kunnen bestaan uit een gouden medaille.