Wat weet jij van de Friese Elfstedentocht van 1986? Als je die vraag stelt, weet bijna iedereen te antwoorden dat – toen nog – kroonprins Willem-Alexander stiekem als toerschaatser meedeed. Misschien geven ze ook nog zijn schuilnaam: W.A. van Buren. Wie de wedstrijd over 200 kilometer won? Dat was natuurlijk Evert van Benthem, die de Tocht der Tochten het jaar daarvoor ook op zijn naam had geschreven.
Maar wie finishte op de Bonkevaart in Leeuwarden als tweede? Dat is een mooie vraag voor een pubquiz. Het antwoord geven we aan het eind van dit artikel, dus even doorlezen nog. Nummer Twee vertelde donderdag zijn verhaal in Hindeloopen, voor een warme zaal met ruim 130 donateurs van het Eerste Friese Schaatsmuseum. Zij hingen aan zijn lippen. Hier volgt zijn relaas, ietwat ingekort, maar zonder onderbreking:
“Ik ga eerst 63 jaar terug, naar 1963. De Elfstedentocht werd verreden en ik zat als jongetje van twaalf jaar gekluisterd aan de tv. Die beelden ontroerden mij zo erg, dat ik wist: dat wil ik later ook doen! Ik werd lid van De IJsleeuwen in Leeuwarden en werd op een gegeven moment uitgenodigd voor de Friese selectie, met Jeen van den Berg als trainer. Dat werd een heel mooie tijd als junior.
“Op mijn achttiende ben ik gestopt met schaatsen. Ik ging varen, daarna in militaire dienst en in 1972 ben ik getrouwd. Een jaar later was er een marathon op Thialf. Daar ben ik gaan kijken. Dat lijkt me wel wat, zei ik tegen mijn vrouw. 'Ik hou je niet tegen', zei ze. Zo is het begonnen. Na een aantal jaren maakte ik echt deel uit van het peloton. Een prachtige tijd. We reden op zaterdag en zondag, het was altijd raak."
“Mijn hart lag bij het natuurijs en in die jaren gingen we naar het buitenland voor de Alternatieve Elfstedentocht. Daar hebben wij geleerd hoe je een wedstrijd over 200 kilometer moet schaatsen. Zo’n tocht, dat doe je niet zomaar even. Jan Roelof Kruithof (ook aanwezig donderdag, red.) was ons grote voorbeeld, elf keer winnaar van die Alternatieve! Om Jan te verslaan, moest heel hard getraind worden. Wij móesten in zijn keiharde aanpak mee.
“In 1985 hadden we een goede winter. Op vrijdag reden we 200 kilometer in Zevenhuizen. Daar was ik gevallen, ik kwam thuis met een lichte hersenschudding. Op zondag zei de weerman dat het lente werd, dat de dooi zou intreden. Ik had me ingeschreven voor de Alternatieve in Polen, dus maandag stapte ik in de bus voor een lange reis via Oost-Duitsland, met urenlange grenscontroles. Toen we op dinsdagochtend in ons hotel in Polen aankwam, liep daar iemand te schreeuwen: 'Het gaat door!' De Elfstedentocht zou die donderdag worden verreden. Die wedstrijd was alles voor mij en wij zaten opgesloten achter het IJzeren Gordijn. Wij wilden terug!
“Met veel moeite is het gelukt een bus naar Nederland te regelen, waar we op woensdag aankwamen. We kregen politiebegeleiding vanaf de grens, konden meteen door om ons in te schrijven. Bij mij thuis was het crisiscentrum van onze ploeg. We bespraken de bevoorrading en onze ploegleider zei: 'Jullie hoeven niks mee te nemen!' Hij had een helikopter geregeld en zou met ons meevliegen. We moesten alleen een groot rood lint bij ons steken en als we eten of drinken nodig hadden, moesten we zwaaien. Dan zou hij landen en ons van nieuwe energie voorzien...
“Onderweg realiseer je pas dat wat je hebt afgesproken totaal niet werkt. De eerste drie uur is het hartstikke donker, dan heeft het weinig zin om met je lintje te zwaaien... Die helikopter zou ook nooit gekomen zijn, want hij mocht helemaal niet de lucht in. Ik eindigde die dag als vijftiende en dat vond ik nog best heel knap. Maar ik wist wel: voor een volgende Tocht wilde ik beter voorbereid zijn.
“Die zomer heb ik getraind als een beest en wij hadden het geluk dat de winter erna weer een Elfstedentocht kwam. Ik had veel getraind op klunen, de voeding voor onderweg was deze keer keurig verzorgd. Maar dan komt de start om vijf uur ‘s ochtends. Met zijn allen in die kooi bij de Frieslandhal, als haringen in een ton. Je wilt vooraan staan, dus ben je twee uur van tevoren al aanwezig. Je bent zenuwachtig, dus moet eigenlijk naar de wc, maar kunt niet weg. Gelukkig nemen wij daarvoor een lege bidon mee. Na twee stilstaan, moet je ineens twee kilometer gaan hardlopen..."
“Dan komt het donker, waarin je volledig in het ongewisse bent. Schaats je op kop, of zitten er nog rijders voor je? In 1986 gaat het goed, ik kom als eerste aan in Sneek. Je gaat verder via Sloten en Balk. Lekker in het peloton, met een man of twintig, dertig. Wat kan mij gebeuren? Dan gaan mensen schreeuwen: 'Er is een kopgroep, er is een kopgroep!' In Workum blijkt dat echt waar: vier man zitten voorop. Je wordt onrustig: hoe halen wij die vluchters terug?
“In Bolsward vormt zich een groepje achtervolgers, waar ik in zit met onder anderen Evert van Benthem. In Franeker achterhalen we het kopgroepje en dan realiseer ik me: ik zit in het front van de Elfstedentocht! Dan demarreert Van Benthem. Wie gaat er achteraan? We zien de tv-helikopter boven hem hangen, zo’n 400 meter voor ons, dat is te overbruggen. Voorbij Bartlehiem pakken we hem terug. Ik vind dat een goed moment om zelf te demarreren. Ik pak slechts een kleine voorsprong, maar dit is wel waar ik al die jaren hard voor hard gewerkt, mijn jongensdroom van 1963 komt uit...
“Het duurt niet lang voor Evert van Benthem bij mij aansluit. De samenwerking is goed, we rijden kop over kop. Maar halverwege Bartlehiem en Dokkum slaat voor mij het noodlot toe. Ik rijd op kop, maar kom ten val. Achter ons rijdt de motor van de tv. Die probeert mij te ontwijken, maar kan geen kant op. Hij rijdt in volle vaart over me heen. Ik krabbel op, heb niks gebroken en ook mijn schaatsen zijn nog heel. Snel achter Evert aan. Ik moet door, wil niet worden ingehaald. Bij Dokkum haal ik Evert in.
“Maar ik ben na die val de regie over mezelf kwijt, vergeet te eten en te drinken. De pijn wordt erger. Ik heb Evert om drinken gevraagd, die me meteen zijn bidon geeft. We blijven kop over kop rijden, maar het kost me meer en meer moeite. In Bartlehiem staat het zwart van de mensen. Paniek! Kunnen we er langs? Dat lukt, maar we verliezen tijd. Onderweg naar Oudkerk, ik zit op kop, springt Evert weg. Ik kan niet volgen, ben kapot. Op dat moment heb ik maar één gedachte: ik hoop dat Evert ook valt!”
Dat gebeurt niet, Van Benthem wint weer, onze Nummer Twee prijst zich gelukkig met zijn prestatie. Na die valpartij is dit het maximaal haalbare.
“Na de finish stond iedereen rond Evert, een grote massa mensen. Voor mij was geen aandacht. Evert werd in een auto met politiebegeleiding weggebracht. Voor ons, de nummers twee, drie, vier en vijf was niks geregeld. Wij moesten wachten op de bus terug naar de Frieslandhal, waar we onze schoenen mochten zoeken. Na de huldiging was de hele wereldpers aanwezig. Alle journalisten hadden vragen voor Evert. Toen hij die allemaal beantwoord had, werd het stil. Niemand had een vraag voor mij, de nummer twee. Jammer hè...”
Tot zover het verhaal van de Nummer Twee van de Elfstedentocht van 1986. Schaatskenners weten uiteraard zijn naam. Het gaat om Rein Jonker uit het Friese Wytgaard, 75 jaar oud inmiddels. Ooit een topper op natuurijs, maar altijd in de schaduw van Van Benthem, die eeuwige roem vergaarde. Jonker blikt desondanks terug in tevredenheid. “Ik was geen groot winnaar, maar wel een groot liefhebber”, besluit hij zijn verhaal in Hindeloopen.
Dat doet hij in cultureel centrum De Foeke, tijdens de donateursbijeenkomst van het Eerste Friese Schaatsmuseum. In dat museum waren donderdagochtend de (dertig) snelste wedstrijdrijders van toen bijeen. De winnaar zelf ontbrak, Van Benthem woont al heel lang in Canada. Wel aanwezig, naast de oud-schaatsers, waren NOS-commentator Evert ten Napel en oud-Elfstedentocht-voorzitter Henk Kroes.
Mede-organisator Jan Kooiman, voorzitter van de Vrienden van het museum, nam zijn oude schaatsmakkers mee terug naar 26 februari 1986. Zo’n reünie houden ze elke vijf jaar, ook voor de edities van 1963, 1985 en 1997. Het is de insteek om dit nog lang te blijven doen, omdat het mooi is om elkaar weer te zien én al die anekdotes nog eens uit te wisselen. Kooiman: “Het rijden van een Elfstedentocht is mooi, maar erover vertellen is nog vele malen mooier.”