Onze beste man in de kamikaze-achtige, onvoorspelbare en daarom zo boeiende snelheidssport vervalt bij elk toernooi in herhalingen. “In shorttrack is alles mogelijk”, is het stopzinnetje van Jens van ’t Wout, wanneer hem op voorhand wordt gevraagd naar de uitslag van een race. Hij weet het niet, niemand kan het vertellen.
Dus bestaat het niet dat er iemand van tevoren zicht heeft gehad op het verloop van de 1000 meter, over vier ronden, tijdens de Winterspelen van Salt Lake City, bijna 24 jaar geleden. Want hoe was het in godsnaam mogelijk dat een volstrekte outsider van Australische origine aan de haal ging met het goud, na twee races achter elkaar waarin alle medaillefavorieten voor hem onderuit vlogen en na hem de streep over duikelden?
Die ongelooflijke geschiedenis achtervolgt Steven Bradbury (Brisbane, 14 oktober 1973) zijn leven lang. Hij is eraan gewend. “Is mijn naam nog bekend in Nederland?”, vraagt de Australiër, een tikje nieuwsgierig. Hij lacht tevreden na het bevestigende antwoord, al lijkt hij de toevoeging onder de echte kenners niet meer mee te krijgen. Ach, wat maakt het ook uit? Het leven is goed, als verteller van en middelpunt in de story of his life valt de agenda in eigen land uitstekend gevuld te krijgen. Succes in de sport, hoe merkwaardig tot stand gekomen ook, verkoopt altijd.
Het is eind september 2025. Bradbury combineert de tv-opnames voor een quizshow in Australië met een bezoek aan Thialf, waar de Nederlandse shorttracktop de eerste wedstrijd van het seizoen heeft. “Straks, zodra de Winterspelen beginnen, moet ik in de studio in Sydney tv-commentaar geven voor shorttrack en de langebaan. Dan is het handig dat ik m’n kennis wat bijspijker, want ik zit er niet meer zo diep in. De World Tour-wedstrijden laat ik schieten, die volg ik online wel”, licht hij toe.
Het kan goed zijn dat hij gewoon terug moet naar Down Under, voor een andere business die hij tussen neus en lippen door heeft geïntroduceerd: zijn eigen biermerk, Last Man Standing Australian Lager. De laatste man die overeind staat. De link moge duidelijk zijn, dit biertje is vernoemd naar de goudenmedaillewinnaar die destijds zijn strijdwijze van achterin blijven hangen (of was het een kwestie van niet beter kunnen?) aan hemels geluk gekoppeld zag worden. Bradbury wil er niet te veel tekst aan besteden. “Dit is een goede naam voor het bier. We produceren een miljoen liter per jaar. Dat is niet veel, nee. We zijn een klein merk in Queensland dat groeit, maar de biermarkt is een lastige, in logistieke zin. Het valt niet mee het snel overal aan de man te brengen. Dat geeft niet, ik vermaak me ermee.”
De mix van bierpromotie en lezingen geven met een kwinkslag bevalt Bradbury buitengewoon. “Ik combineer mijn voorstellingen als een soort stand-up comedian die over zijn olympisch avontuur vertelt, met daarin de aspecten motivatie en successtrategie. Het is voor kinderen een goede les dat als ze zich voorbereiden op iets – of het nou in sport is, een pianoles of wat ook hun passie is – er soms mooie dingen kunnen gebeuren. Mits ze bereid zijn te investeren gedurende een langere tijd. Maar eerst moet iedereen hard werken om op het grote podium terecht te komen. Mijn weg naar succes was lang en ik moest ernstige blessures overwinnen.” Hij geeft wel toe: in zijn jeugd was het makkelijker om te shorttracken.
“De sport was groter. In een stad als Sydney waren bowlingbanen, squashcomplexen, tennisbanen, misschien wel zes of zeven ijsbanen en vijf shorttrackclubs. Op een zaterdagavond kon je iedereen daar vinden, dat was het vertier. Internet ontbrak, videospelletjes betonden nog niet. Zo ben ik erin gerold en kwam ik naderhand in aanraking met de nationale selecte die uit twaalf kerels bestond, allen van wereldniveau. Dat duurde niet lang. Toen Australië wereldkampioen werd op de mannenrelay, waren we nog maar met z'n vijven. Blessures konden we dus niet gebruiken. De situatie leek op die van Nederland, begreep ik uit gesprekken met jongens uit die periode."
“Ik maakte voor het eerst deel uit van de Australische ploeg in 1990 die in Amsterdam meedeed aan het WK, als reserve. Van de finale op de 1000 meter herinner ik me een Japanner, Tsutomu Kawasaki, die in de finale drie tegenstanders aan de buitenkant passeerde en een nieuw wereldrecord neerzette dat 0,8 seconde sneller was. Het zou de enige grote finale zijn die hij ooit op zijn naam bracht. Ik zag het gebeuren en nam me voor: dat ga ik ook doen. Het was ook de laatste keer dat mijn vader me pushte. Ik wist dat ik naar de Spelen wilde. Die mindset van Ozzies en Nederlanders komt wel overeen, niet? Hard werken en een enkele keer een beetje hoog van de toren blazen, hahaha!”
In de aanloop naar de Winterspelen van Beijing was de link naar zijn biertje ook snel gelegd...