Jens van ’t Wout. De naam zal niet meer worden vergeten. Beloofd. Maar dan vooral vanwege die nauwelijks te bevatten souvenirs van sportieve aard die hij in de tweede week van februari aan het verzamelen is. Goud winnen op de Olympische Spelen is ieders droom, zodra hij of zij de accreditatiekaart ontvangt en de arena betreedt. Deze twintiger, tot voor kort wonend met zijn anderhalf jaar oudere broer Melle en ouders in Sintjohannesga, heeft er intussen twee op zijn slaapkamer liggen in het Milanese atletendorp, na een serie wervelende voorstellingen die probleemloos een vergelijking met de beste theaterstukken kunnen doorstaan. Tenminste, als ze worden beoordeeld op spanning, verhaallijn, kwaliteit van de acteurs en amusementswaarde.
Los van die twee letterlijk dikke dukaten, het bewijs dat Jens de beste rolvertolker is geweest, komen de onderscheidingen hem ook toe op basis van andere capaciteiten. En daarom stappen we zoals het hoort op Schaatsen.nl binnen in de wereld van shorttrack, niet denigrerend bedoeld maar nog altijd de kleine broer van het langebaanschaatsen. Daarin heeft hij zich in een paar dagen tijd gepresenteerd als een gedroomd rolmodel voor de sport, en een inspirerende knul die heel goed zijn passie zou kunnen overbrengen op de jeugd, en tegelijkertijd de doodgewone buurjongen blijft uit de straat, wars van kapsones of praatjes.
Ze zijn Jens heus niet komen aanwaaien, die medailles. Hij steekt vanzelfsprekend boven de meeste ploegmaten uit, puur gekeken naar talent. Dat helpt. Maar de jongste Van ’t Wout onderscheidt zich (met zijn onafscheidelijke broer samen) nog meer op het gebied van compromisloze toewijding, of noem het onvoorwaardelijke liefde voor zijn vak, zijn hobby, zijn alles. Niets, maar dan ook niets mag shorttrack in de weg staan. Laat dat gezegd zijn.
Alle aandacht, uren van training, energiebesteding, financiële investeringen, blessures, en geleden pijn lijken in deze dagen te worden terugbetaald met de gehoopte prijzen. En je gelooft Van ’t Wout op zijn woord, als hij na de huldiging bij het bezoeken van de mixed zone ergens in de acht minuten die hij krijgt om zijn belevenissen van een heerlijke avond ravotten op het ijs samen te vatten, een typerende zin uitspreekt. Overigens, net als donderdag, twee dagen eerder, na het eerste goud. “Ik ben hier alleen maar om lekker te racen en niet om aan winnen te denken.”
Dat is eenvoud, dat is een drijfveer die weinigen in de topsport is gegeven. Het zo simpel kunnen houden, mogelijk is dit de sleutel tot zijn succes. De zege op de 1000 meter staat al in de boeken genoteerd met de toevoeging ‘verbluffend’, die van deze zaterdagavond is wat moeilijker te vangen in een woord. Denkend – en het liefst zou je de 2.12 minuten durende film van race nog ontelbaar keer willen terugzien - aan álle details die het blote oog hebben gemist groeit het besef wat voor enerverend schouwspel we hebben beleefd.
De inleidende beschietingen voor het finale-gevecht (kwartfinale en halve finale) laten we buiten beschouwing; Jens vertelt in volgende monoloog wat hem nog te binnen schiet na de krankzinnige apotheose van de 1500 meter. Conclusie: de chaoot waarvoor zijn broer hem dikwijls verslijt, heeft zich juist een meester getoond in het managen van de grootst mogelijke chaos in een wedstrijd voor negen rijders die aan elkaar gewaagd waren. Inderdaad, de vraag die erbij hoort: hoe dan?
Van 't Wout: “Geen idee. Echt geen idee. Ik kwam de streep over en ik zag mijn vader, die riep: ‘Hoe dan? Dit was superchaos. Een van mijn ploegmaten, Friso Emons, heeft me voor de race beelden van vier jaar geleden op de Spelen in Beijing getoond. Ook die finale was er een met negen man. Destijds won Daeheon Hwang. We hebben gekeken wat hij toen heeft gedaan: voorin zitten en hard schaatsen. Dat wilde ik ook gaan proberen.
Volgens mij is het moeilijk om een plan te hebben voor zoiets krankzinnigs als vanavond en dat te volgen. Wat we wisten was dat ik voor hem moest blijven. En dat het op een gegeven moment aanvallen zou worden aan de lopende band, waarbij iedereen die achterin zou zitten, zou komen. Ik moest niet degene zijn die de anderen zouden aanvallen; wel William Dandjinou. Hij is op die manier uitgeschakeld, wat voor mij super was.
Ik was voor de start de meest ontspannen gast in de heat box (wachtruimte langs de baan). Iedereen zat vol in de focus, terwijl ik alleen het gevoel had van ik heb echt zin om te racen. Dat heb ik aardig weten vast te houden.
De 1000 meter vond ik nog mooier dan deze Russische roulette. Op een gegeven ogenblik zag ik drie mensen op het rechte stuk in de boarding liggen. Niet laten afleiden, het is nog drie ronden, schoot er door mijn hoofd. Het probleem was echter dat ik niets meer kon. Het zuur zat tot in mijn ogen, ik begon zwart te zien, alles. Dit was meer een opstootje dan een race, maar ik wist dat het zou gebeuren.
Eenmaal op kop moest ik doorgaan. Het publiek ging uit z’n dak. Wat dat losmaakte bij me, is lastig te beschrijven. Het was alsof ik naar de streep werd geduwd, terwijl ik bijna niets meer kon zien door de verzuring. Dat heb ik ook weleens tijdens de training, dat alles letterlijk heel wazig wordt. Alleen de blokken op het ijs kon ik nog een beetje zien, maar het was een tunnel vision die ik had. Wat ik moest doen, was harken voor m’n leven. Dat zeggen wij wanneer je kapot bent. Harken voor het leven en hopen dat niemand meer kan, wetend dat er goud te winnen is.
Op dit moment overheerst het idee dat ik nog wakker moet worden. Dat het straks gebeurt, omdat ik in de heat box zit voor de eerste 1000 meter van de dag. Het is zo gek wat me overkomt. Vlak voor het EK (half januari, red.) zei ik tegen Zoë: mijn gevoel zegt dat het geluk me een beetje toelacht. Vanaf dat toernooi – dat uitstekend is verlopen – ben ik anders de wedstrijden ingegaan. Net als nu: ik ben alleen op de Spelen om te racen. Voor de start zat ik op de bank naast William, en naast hem Shaoang Lui. Ik dacht: olympisch en wereldkampioen. Ik wil met jullie vechten. Dat heb ik gedaan en nu ben ik tweevoudig olympisch kampioen
Ik kan het niet geloven. Ik denk dat het tot een week of twee duurt na het seizoen voordat het kwartje valt. Mijn beste afstand (500 meter, red.) komt nog, maar ik weet niet of dat ik nog moet blijven zeggen. Wat ik wel kwijt wil, en dat moet absoluut vermeld worden: Zoë heeft beloofd dat ze een bob zal laten knippen als ik twee keer goud zou winnen. En nu wil ze dat niet doen. Dat kan écht niet!”