Het belangrijkste voor een goede start volgens Smeekens: "Je moet als een veer weg kunnen springen." Daarom hecht hij veel waarde aan zijn houding bij de start. Deze moet zo comfortabel mogelijk zijn.

Natuurlijke voorkeur
Welk been voor staat maakt daarbij niet zo veel uit, zegt Smeekens. Dat wisselt bij iedereen. "Je kiest het voorste been niet, het draait om een natuurlijke voorkeur", weet hij. Twijfels daarover? De sprinter adviseert: "Probeer het een keer met links voor en een keer met rechts, dat wat het lekkerst aanvoelt is het antwoord."

In het geval van Smeekens was de uitkomst dat hij zijn rechterbeen voor moet plaatsen. Hij heeft inmiddels al ontelbaar veel starten op die manier gedaan. "Ik zou niet andersom kunnen staan."

Soms verandert Smeekens zijn starthouding iets. "Als het niet loopt, ga ik terug naar de basis, naar dat wat ik hiervoor verteld heb. Soms doe ik mijn achterste been iets verder naar achter, zodat ik meer ontspannen sta", zegt de sprinter.

Twee meter
Uiteindelijk draait het er bij de starthouding om dat het prettig aanvoelt. "Als iemand het fijn vindt om met zijn benen twee meter uit elkaar te staan, al lijkt dat mij sterk, dan moet hij dat gewoon doen. Het gaat erom dat diegene lekker staat. Dan is dat de beste houding", zegt Smeekens.

Bij het innemen van de startpositie is de houding van de heupen een puntje om op te letten. Het is efficiënter als de heupen in de richting staan waar de schaatser heen wil. Dus naar voren. Vervolgens is het belangrijk hoe een schaatser zijn gewicht verdeeld bij het innemen van de startpositie. Zodra Smeekens inzakt voor de streep, zorgt hij ervoor dat hij iets meer gewicht op zijn voorste been plaatst. "Als ik mijn eerste pas maak, vind ik het fijn dat er al wat extra gewicht op het voorste been rust, zodat ik direct kracht kan leveren bij het afzetten."

Sommige schaatsers zakken bijna niet in bij de start, anderen zitten heel diep. De Fin Pekka Koskela is een goed voorbeeld van de eerste categorie. Hij staat heel 'hoog'. "En hij is ook heel snel weg. Maar ook die keuze is persoonlijk, naar wat lekker voelt. Hou er alleen rekening mee dat als je heel diep staat, je minder snel bent in je eerste passen. Dat is waarom ik het niet heel fijn vind om te diep te zakken", zegt Smeekens. 

Hakken
Om op gang te komen gebruikt een schaatser een andere techniek dan wanneer de snelheid maximaal is. Smeekens noemt het 'hakken', het eerste gedeelte vanaf de streep voordat de techniek geleidelijk richting een echte schaatsbeweging gaat.

"Eerst is het meer springen", zegt hij. Dan rijdt de sprinter een heel hoog ritme. "In dat gedeelte wil ik heel agressief zijn." Daarna komt de overgang tot het echte schaatsen, op een iets lager ritme.

Dat is de fase waarin het explosieve springen niet meer oplevert dan zijwaarts afzetten. Smeekens: "Het is belangrijk om die overgang heel geleidelijk te doen. Zodra ik overga naar de echte schaatsbeweging, let ik erop dat ik diep zit en met mijn been zijwaarts afzet. Na zestig meter wil ik bijna hetzelfde rijden als ik vervolgens op de kruising doe. En dan bereid ik mij voor op de bocht."

Meer tips lezen? Je vindt ze op schaatsen.nl/tips.