Stijve harken zijn het. Langebaanschaatsers kunnen niet skeeleren. Ik herinner me nog een baanwedstrijd ergens in een gehucht bovenin Friesland. Zwaagwesteinde ofzo. Ids Postma deed mee, het is inderdaad al jaren geleden. Vierhonderd van de vijfhonderd meters reed hij knap hard op kop, toen hij zichzelf haakte en plat voorover op het asfalt smakte. Kan iedereen gebeuren natuurlijk, maar het was weer even lachen geblazen onder de skeeleraars. Die domme schaatsers ook.
Langebaanschaatsers kunnen niet double pushen, ze kunnen niet spagaten, ze kunnen niet op pistes rijden, ze zijn onhandig en als het een spatje regent haken ze af. Laat staan dat ze uit de voeten zouden kunnen op het parcours in Almere. Een miniatuurbaantje. Een skatebaan, maar dan downsized naar 70%. Op papier fantastisch, in de praktijk alsof je met een Formule 1 wagen op een kartbaan rijdt. Tel daarbij op gleuven in het wegdek, marmeren randjes en regen. Hier kon je je vermogen niet kwijt, hier moest je slim zijn. En ‘een kop hebben’.
De inliners? Normaal kan het ze niet gek genoeg. 100 kilometer over grove, lelijke Friesche landweggetjes en klinkers, of met een man of 60 op een piste van 200 meter op en over het randje balanceren. Knokken, vechten, nooit opgeven, sensatie. Jarenlang was dat toch de moraal in het peloton. Het parcours in Almere zou ze op het lijf geschreven moeten zijn. Niet het leukste baantje om op te rijden, akkoord, maar schaatsers laten winnen? Juist hier? Van m’n ammenooitniet.
Verbazingwekkend genoeg lieten juist de skaters zich demoraliseren door de armetierige omstandigheden, zoals daar waren geen publiek, amper deelname, wind en regen. En juist schaatser Verweij gooide de kop ertegen. Ze keken lijdzaam toe hoe hij meer dan de helft van de koers brutaal op kop reed, alle punten pakte en vele kanshebbers reglementair ‘uit het wiel reed’. Juist op de plek waar de skaters de schaatsers normaal gesproken kilometers achter zich laten, greep de blonde branieschopper zijn kans. In de veel te krappe bocht, op het spekgladde marmeren richeltje.
Alsof de vernedering nog niet compleet was, nam Blokhuijsen het zilver nog even mee. Een skateverleden, ja juist, een verleden. De laatste jaren amper nog gesignaleerd op wielen. Hij gaf aan ‘dat de oude skeelermentaliteit weer naar boven kwam’. De skeelermentaliteit die de skaters hebben verloren. Hij kon de tragiek niet beter verwoorden met het gebruik van die oude naam, die mooie oude naam. Van skeeleraars naar skaters, van bikkels tot suikerklontjes. De geest is uit de fles.
Almere gaat de geschiedenisboeken in als de plek waar op 28 mei 2011 het bestaansrecht van de echte skeelerneur de prullenmand in kan. Misschien was de naamswijziging al profetisch. De moraal is bij de Almeerse Esplanade de zee in gestort. Als het op het Nederlandse wegkampioenschap wat lastig wordt en begint te regenen, haken de skaters af, en winnen de schaatsers.