10 februari 2014. De 500 meter in Sotsji stond al maanden in mijn agenda. Grappig wel, een dag voor Jan z’n verjaardag. "Wat zou hij zichzelf voor cadeau geven?", vroeg ik mezelf in aanloop naar die dag steeds vaker af.

Het blijft voor mij iets bijzonders, een neefje dat zichzelf alles ontzegt, tot het uiterste gedisciplineerd is, afziet en zijn leven volledig in het teken zet van deze ene magische afstand. En ik? Ik mag ervan genieten en de halve wereld ervoor afreizen.

En nu sta ik, met een biertje in de hand, naast Jan. Op deze avond, in de feeëriek verlichte tuin van het Azimut Hotel bij het Holland Heineken Huis. Ik tril nog steeds na van de twee meest bijzondere 500 meters ooit gereden.

Het verschil tussen de nummer een en twee was nog nooit zo klein, het podium nog nooit zo oranje en mijn neef nog nooit zo olympisch zilver.

Olympisch zilver...

Zijn schaatsen glijden over de finishlijn van de tweede rit en ik denk net als iedereen, Jan zelf incluis, dat het goud is. Een tot dan toe onbekend gevoel van vreugde maakt zich van me meester. Dat ik erbij mag zijn op het moment dat alles wat hij ervoor gedaan en gelaten heeft tot goud leidt. Dat hij de geschiedenis ingaat als de eerste Nederlander die goud binnensleept op de 500 meter. Dat het nu bewezen is dat hij de beste is! Dat alles op het juiste moment, op de juiste plaats bij elkaar komt.

Dit alles begint tot me door te dringen, tot ik in mijn rechterooghoek het cijfer twee voor zijn naam zie verschijnen op het grote televisiescherm. Jan glijdt aan mij voorbij met ongeloof in zijn ogen en twee vingers in een v omlaag. Het is twee geworden, een tweede plek, de zo gehate tweede plek.

Dan zie ik Jan nergens meer. Weg is hij, verdwenen, de diepe krochten van het stadion in. Wat zal hij balen, wat zal die jongen balen. Ik zie visioenen van een totaal verbouwde kleedruimte, schaatsen in de hoek gesmeten, lockerdeurtjes hangend uit hun scharnieren, een houten bankje in tweeën geslagen en een spiegel aan gruzelementen. De restanten van in vier jaar opgebouwde energie ontlaadt zich in de catacomben van de Adler Arena. Hij is niet aanspreekbaar, dat weet ik zeker. Weg van hier, denkt hij. Geen pers en geen familie. Ontroostbaar zal hij zijn.

De familie en vrienden verzamelen vol onbegrip aan de rand van de baan. Gecorrigeerde tijd, ze zijn foto’s aan het bekijken. Tweede plek dus. Iemand zegt: 'zilver gewonnen'. Daar ben ik nog niet aan toe. Goud vastgehouden en uit de handen gegleden.

"Jan heeft wel super goed gereden", hoor ik. En blijkbaar wint langzaam maar zeker de rede weer wat terrein op de emotie. Het besef dringt tot mij door dat degene die over twee ritten het hardst rijdt, de winnaar is. En degene die tweede is, heeft het zilver. Zo is de eenvoudige wet van het langebaanschaatsen.

Mijn gedachten gaan steeds weer naar dat arme joch dat hier onder in het stadion ontroostbaar verdrietig zit te zijn, terwijl een ander joch uit zijn dak gaat van vreugde. Het moet voor Jan ondraaglijk zijn en ik kan slechts hopen dat hij zich ergens weet te herpakken en toch naar boven gaat komen om een bosje bloemen in ontvangst te nemen, rechts van de middelste trede van het podium.

De eerste sms-jes uit Nederland komen binnen met teksten als: "Wat een koninklijk optreden van Jan", "heel veel bewondering" en "professioneel, grote klasse".

Ik besef dan nog niet wat er aan de hand is. Ik vang flarden van een gesprek achter me op: "Dat is toch wel heel bijzonder dat Jan zich zo sterk neerzet, diep respect hoor." Jan heeft zich voor het Nederlandse publiek een groot 'verliezer' getoond. Het fysieke zilver krijgt een mentale gouden rand en ik ben apentrots op mijn neef.

Henry Schut heeft net de NOS sportwinter van die dag afgesloten. We hebben op de on-Nederlandse afstand plek een, twee en drie. Ik neem nog een slok van mijn bier en kijk op mijn mobieltje. Het is half een onder de Russische sterrennacht. Ik omhels Jan en zeg "Van harte met je verjaardag". "Oh ja, da’s waar ook!", zegt Jan en bij het spontaan ingezette 'Lang zal die leven' houd ik het net niet droog.