Men droomt wat weg, het tempo is slaapverwekkend. Vijf man van één team op kop, á 38 kilometer per uur. Dat is een tempo dat je 'in de rug' geen pijn doet, maar zelf hárder op kop rijden, lukt ook niet.
De wielen ratelen over het slechte asfalt. Bijna drie uur lang. Het hele peloton gebiologeerd in een lint erachter. De rijders als verlamd en ingedut door de gedachte dat het allemaal meevalt vandaag, waar uren van pijn mentaal waren ingecalculeerd. Zelfs vanaf de kant is het aftellen. Wanswerd, Burdaard, Marrum."Het is de laatste ronde al he?", zegt iemand. Inderdaad. Dat nieuws overvalt het peloton. Het bordje Hallum lijkt vanuit het niets op te doemen.
Shit.
Bij de start verlangde je nog naar het moment dat je de plaatselijke rondjes op zou mogen. Een gelukzalig gevoel, na alle overwonnen ellende onderweg. Nu geeft het bordje Hallum het gevoel dat je hebt als je naar een lange etappe in de Ronde van Frankrijk kijkt, met een matige sprint tussen twee onbekende vluchters op het einde. Heb ik hier nu op zitten wachten? Ik had iets beters met mijn tijd moeten doen.
Daar zitten ze met hun goede conditie, sterke benen en ambities. Machteloos. De geplande aanval zit er helemaal niet meer. Het moment waarvan je dacht dat het in die honderd kilometer moest komen, kwam helemaal nooit, want daar klinkt de bel al voor de laatste kilometer. Nooit kwam je in je ritme, nooit heb je kunnen genieten, nooit kwam je in je element.
Voor het tweede jaar achtereen heeft het zo gevoeld in Hallum. Eén team op kop, honderd kilometer lang. Je zit erachter en denkt: er zit geen gang in. Je wacht op een kans die nooit komt. Je probeert in de laatste tien kilometer nog te demarreren, maar er gebeuren twee dingen. Je benen klappen onverwacht uit elkaar en de moed zakt je in de schoenen. Meer dan tien meter wordt het gat niet.
Het niveau van de beste tien á vijftien rijders in Hallum is ongekend. Ze kunnen allemaal honderd kilometer inline-skaten. Sterker nog, ze trainen het. Op maandagmorgen, of een achteloze donderdag. Honderd kilometer trainen op inline-skates. Enkele jaren geleden ondenkbaar.
Waar je vroeger vooral niet op kop wilde komen, bezitten rijders nu de kracht om samen honderd kilometer lang te domineren. Als een sprintetappe in de Tour, je weet dat je gevangen zit. Voor de TV denk je: waarom laten ze zich naar de slachtbank leiden. De wielrenners weten: het is niet anders. Een lead-out van honderd kilometer.
Ik ken het gevoel van een wedstrijd op Flevonice, een jaar of vijf geleden. BAM reed de hele koers op kop. Nooit voelde ik me zo gefrustreerd als die dag. Irritant tot en met.
Omdat ik weet hoe het voelt, heb ik er als toeschouwer van genoten. Een sprint tussen twee van 's werelds snelste mannen, maar dan na honderd kilometer. "Het viel me mee", zei Swings na zijn debuut in de Friese, winderige polder, "al had ik liever gewonnen." Dat was precies het gevoel waar er meer mee naar huis gingen.
Geert Plender is journalist en oud-schaatser en inliner.