Nog nooit in de ruim 120-jarige geschiedenis van het langebaanschaatsen lukte het namelijk een Nederlandse schaatser om een wereld- of olympische titel op de 500 meter in de wacht te slepen. In 1988 was Jan Ykema er tijdens de Winterspelen in Calgary met zilver dicht bij. Bij de WK Afstanden snelden Erben Wennemars (1999) en Michel Mulder (2012) naar dezelfde ’troostprijs’. Bij de Nederlandse dames was de oogst op de 500 meter nog kariger: nul medailles op dit schaatsnummer bij de Olympische Spelen, drie keer brons op de WK Afstanden: Timmer (1999), Gerritsen (2008) en Oenema (2012).

Het is makkelijk aan te tonen dat Nederlandse schaatsers in het internationale sprintgeweld heel lang nauwelijks iets hebben voorgesteld. Kijk de ontwikkeling van de wereldrecords er maar op na. Van Jaap Eden tot Sven Kramer, aan Nederlandse recordhouders heeft het nooit ontbroken. Behalve op de 500 meter. Van de 117 diploma’s die de ISU sinds 1893 als erkenning van een wereldrecord aan Nederlandse schaats(st)ers uitreikte, had geen enkele betrekking op de 500 meter. Tot 1998, toen Jan Bos met zijn wereldtitel in Berlijn het sprinten in Nederland echt op de kaart zette, werd er dan ook ernstig aan getwijfeld of Nederlanders wel konden sprinten.

Maar waarom zouden Nederlandse schaatsers niet kunnen sprinten? In andere sporten, zoals atletiek (Tinus Osendarp en natuurlijk Fanny Blankers-Koen) en wielrennen (Arie van Vliet) had ons land uitstekende sprinters, dus in het ’bloed’ kon het niet zitten. De bekende schaatsjournalist H.J. Looman legde in 1948 in zijn boek ’Op glad ijs’ de vinger op de zere plek: “De oorzaak moet worden gezocht in een tekort aan oefengelegenheid. De 500 meter vergt nu eenmaal grote technische vaardigheid en deze kan alleen verworven worden door langdurige oefening.”

Henk van der Grift, in 1961 de eerste Nederlandse wereldkampioen allround na Coen de Koning in 1905, bewees dat Looman het bij het rechte eind had. De automonteur uit Breukelen verhuisde speciaal voor het schaatsen naar Noorwegen om zich in Fagernes voor te bereiden op het schaatsseizoen. In 1960 benaderde Henk van der Grift met 41,2 vervolgens het wereldrecord op deze afstand tot op één seconde: de beste Nederlandse sprintprestatie tot op dat moment.

Met de komst van de kunstijsbanen in Nederland eind 1961 werd het accent echter vooral op het allrounden gelegd. Tevreden met de triomfen van Ard & Keessie en hun opvolgers weigerde de KNSB heel lang getalenteerde sprintdiamanten financieel en facilitair een gelijkwaardige behandeling te geven. Meermalen werd de sprintploeg met het grootste gemak zelfs opgeheven en was een sprinter in Nederland heel lang een ’mislukte’ allrounder.

Pas midden jaren negentig kwam de schaatsbond tot inkeer. Uit Amerika werd in 1996 de gerenommeerde sprintcoach Peter Mueller gehaald, nadat een jaar eerder al was besloten tot de introductie van een Jong Oranje ploeg voor sprinters. De aanpak van Mueller bleek te werken. De wereldtitel van Jan Bos bij het WK sprint in Berlijn in 1998 betekende de definitieve doorbraak van het sprinten in ons land. Het weeskindje van de Nederlandse schaatssport was op slag volwassen geworden.

Sindsdien veroverden ook Wennemers (2x), Timmer, Groothuis en Michel Mulder de wereldtitel sprint. Ook op de 1000 meter waren de Nederlanders talrijke keren succesvol (vijf Olympische titels; negen wereldtitels), maar op de vermaledijde 500 meter staan de Nederlanders wat goud en wereldrecords betreft nog altijd op de hatelijke nul.

Maar er gloort hoop. Na zes World Cup-overwinningen op rij en winst in het eindklassement (een primeur in de Nederlandse schaatsgeschiedenis) lijkt Jan Smeekens de aangewezen man om in Sotsji bij het WK Afstanden die hatelijke nul uit de boeken te schaatsen.

Huub Snoep is hoofdredacteur van schaatsen.nl en verzorgt samen met Marnix Koolhaas elke week het Historisch Perspectief.