Hij krijgt, zegt Christian Haasjes met een knipoog, weleens de vraag hoeveel podiumplekken hij al heeft verzameld op natuurijs. ”Dan vertel ik dat dat er eentje is, maar dat dat wel de overwinning in de Alternatieve Elfstedentocht is. Dat is natuurlijk wel een gekke statistiek.” Naar de buitenwacht hoeft Haasjes daarom ook helemaal niets meer te bewijzen. “Maar ik had dat gevoel wel naar mezelf toe. Twee jaar geleden won ik hier die 200 kilometer, maar sindsdien ben ik niet verder gekomen dan vierde, vijfde, zesde en zevende plekken. Dat is niet wat je wilt, want je wilt juist die zege een vervolg geven. Ik ben blij dat dat nu is gelukt.”
Haasjes deed dat in een koers die best wel levendig was. De mannen konden zich uitleven op een iets minder koude Weissensee, maar warmden zich lekker op met meerdere vluchtpogingen. Geen daarvan was echter een lang leven beschoren. Dat leek te veranderen toen Jan Hamers en Maikel Stam er vandoor gingen. De twee namen flink afstand en dwongen daarmee het peloton tot actie. Het was vooral Reggeborgh dat zich inspande om de vluchters in te rekenen. “Die ploeg kwam al vroeg op kop van het peloton.” Met zijn ploeg De Haan Westerhoff zocht Haasjes een plekje daarachter. “Ruim twee ronden voor het einde zaten we al goed. We probeerden zo lang mogelijk daar te blijven zitten, en ik moet zeggen dat mijn ploeggenoten absoluut heel goed werk hebben verricht.”
Maar uiteindelijk is het toch ’helpers weg’ en vanaf dat moment was Haasjes op zichzelf aangewezen. “Dan moet je goed anticiperen wat er gebeurt, want er komen treintjes van links en van rechts. Op een gegeven moment had ik ineens het goede spoor te pakken, en dan moet je zo lang mogelijk blijven zitten.’’ Hij moest daarna zichzelf wel een beetje in toom proberen te houden. “Want vaak ben ik hier te vroeg gaan sprinten en die fout wilde ik niet weer maken. Ik heb gewacht op een goed moment en daarna álles gegeven. Tot óver de streep zelfs, want ik wilde niet te vroeg stoppen. En dan is het heerlijk als het allemaal lukt.”
Krap was het wel, want Daan Gelling zat praktisch naast hem. Toch wist Haasjes genoeg. ”Het was geen groot verschil, maar groot genoeg voor mij om zeker te weten dat ik de winst had gepakt.” De voorgaande paar honderd meter vervulden hem na afloop nog steeds met afkeer. “Zo’n massasprint is totaal niet mijn hobby. Het is druk, het is chaos, vechten. Daar houd ik helemaal niet van. Maar dan is het uiteindelijk natuurlijk wel des te lekkerder om te winnen.’’
Achter Gelling bleek Harm Visser de laatste plek op het podium te hebben veroverd, alleen had de Fries daar zelf geen idee van. Terwijl bij het podium zijn naam meermaals werd omgeroepen, zat de man van Essent al in de auto op weg naar het hotel. “Ik wist van niks”, excuseerde Visser zich. “Dacht echt dat ik vijfde of zesde was geworden. En dan hoor ik opeens dat ik toch derde ben.” De podiumplaats deed weinig af aan het katertje dat Visser overhield aan de ouverture op de Weissensee. “Het was allemaal chaos in die laatste kilometer. Het liep echt niet zoals ik het graag wilde.”
Dan was er meer tevredenheid bij Daan Gelling. “Ja, best wel. Al wil je natuurlijk liever winnen, zeker als het verschil zó klein is dat er duizendsten aan te pas moeten komen. Maar ik heb nog nooit podium gereden na een massasprint op de Weissensee of überhaupt op natuurijs, dus wat dat betreft is het prima. Een mooi resultaat om er een beetje in te komen.”
Dat vond, uiteraard, ook Christian Haasjes, die met zijn ploeg de cupwedstrijd in Alkmaar liet schieten en al einde vorige week naar Oostenrijk afreisde. “Een heerlijk begin. Op kunstijs ging het zo goed, maar op natuurijs kwam het er niet uit. Het moest nu ook wel van ver komen, maar dat geeft niet. We hopen hier met de ploeg deze week nog wat meer binnen te halen. We hebben er het team voor, en de jongens zijn goed in orde.”