“Godverdomme, rekken! REKKEN!”, bijt Erben Wennemars de hem tegemoet lopende technisch directeur van de KNSB toe. Hij herhaalt de woorden, terwijl ontvanger Remy de Wit ogenblikkelijk omdraait en de tunnel in marcheert, wetend wat hem te doen staat. En evengoed beseffend dat het dwingende verzoek van vader Wennemars weinig zal uithalen. Een race opnieuw schaatsen mag, als dat binnen dertig minuten gebeurt. Want regels in de schaatssport zijn heilig, zeker op de Olympische Spelen.
De bovenstaande schets is er een van de eindeloze reeks bijna science fiction-achtige taferelen die zich afspeelt buiten het zicht van alles registrerende camera’s in het Milano Speed Skate Stadion, toneel van de 1000 meter voor de mannen. Alles dat zich voltrekt binnen het halve uur na de grootste opdoffer die Joep Wennemars in zijn sportleven heeft moeten incasseren door toedoen van een heel onnozele Chinees, is te veel om te vermelden.
Alle ellende ontstaat even voor half acht, in een nog meer oranje gekleurde beurshal dan twee dagen eerder bij het feest met kanjer Jutta, wanneer de 27-jarige Ziwen Lian de geldende voorrangsregel op een kruising volkomen negeert. De Aziaat die veelal in de onderste regionen van de wereldbeker zijn kunsten moet vertonen, komt met lichte voorsprong de binnenbocht uit. Het metertje dat hij voorligt op de raket Wennemars die haast maakt om naar de binnenbaan over te steken, is hij kwijt voordat hij een keer met zijn ogen kan knipperen. Op dat moment hoort Lian zich een gentleman te tonen door de Nederlander alle ruimte te geven. Of hij is totaal de kluts kwijt of hij doet het met opzet, feit is dat Wennemars hem alleen voorbij kan als hij door de krabbelaar heen beukt. Zo ver komt het gelukkig ook niet, maar de wereldkampioen op deze afstand weet wel dat zijn olympische droom metersdiep kan worden begraven op een achteraf kerkhof in de buurt van het beurscomplex in het noordwesten van Milaan. Verschrikkelijk.
Lian zal het nooit meer vergeten. Misschien heeft hij er zelfs een lichte gehoorbeschadiging aan overgehouden, maar nooit eerder is er zo’n fluitconcert vanaf de schaatstribunes verzonden naar een boosdoener, de dwarsligger op de kruising dus. Wennemars, ondanks het oponthoud nog gefinisht in een keurige 1.07,58, boeit het allemaal niets meer. Bij het uitrijden achter de eindstreep draait hij een halve pirouette, minder vaart en beweegt zijn armen eerst machteloos om ze dan dreigend op te steken naar de naderende Lian. Het lijkt of hij de onsportieveling een kleun wil verkopen; het blijft bij een lichte duw. De boodschap moge duidelijk zijn: als hij de Chinees in een andere setting zou hebben getroffen, was er nu niets meer van het mannetje overgebleven.
Het is onrecht. Groot onrecht. Met de toevoeging: hier kan niets aan worden gedaan. Ja, Joep mag herkansen, en dat wordt ogenblikkelijk besloten zodra bekend is dat door de naam van Lian een streep gaat. De potige schaatser, bij wie alleen het onderste deel van zijn racepak nog op de normale manier om zijn lichaam zit, wil weg uit het middelpunt van de wereld dat hij nu is. Nico Hofman, de bewegingswetenschapper van Wennemars’ team Essent, ontfermt zich over de ziedende kerel die de tunnel induikt, achtervolgd door coach Jac Orie.
Niet veel verder pikt vader Erben Wennemars ook in, en als een minileger op een voorname missie stuiven de drie naar Palestri Atleti, een mooie naam voor een cabine van triplex wanden in de catacomben waar de schaatsers nog even hun spieren op spanning kunnen brengen voor een race. De vraag is of het nodig is bij een deelnemer die zojuist zijn hele fysieke gestel een opdonder van jewelste heeft gegeven. Er wordt niets gezegd. Slechts Joep schreeuwt een keer of drie verschrikkelijk hard F#*Ck. Hij kan in dit kleine gezelschap (vriendin Suzanne Schulting glipt ook snel naar binnen) wel proberen de onvoorstelbare film waarin hij zelf de hoofdpersoon is stil te zetten. Dat moet ook, want in minder dan dertig minuten moet hij opnieuw aan de bak voor een utopische klus.
Wat het inderdaad zal blijken te zijn, want een half uur hersteltijd van een nogal zware inspanning volstaat niet. De poging van Wennemars senior om de periode zo lang mogelijk op ‘te rekken!’ heeft geen baat. 1.08,46 is een alleszins knappe tijd voor een solorace van een man met verzuurde benen en de rest van een lijf dat siddert van machteloosheid.
Wanneer de medailles allang zijn uitgedeeld, doet de ongelukkige Wennemars zijn verhaal. “Ik kon niet geloven wat ik zag gebeuren op die kruising. Ik wist dat ik voorrang had, kwam met mijn hogere snelheid uit de bocht. Dat was mijn lijn, dat was mijn kruising. Die Chinees speelde slechts een bijrol in deze rit, dat wist hij zelf ook op dat moment. Hij raakte me nog twee keer, maar het enige dat ik dacht was DOORRIJDEN! Wetend dat het al kapot was. Dit was een medaille, honderd procent. Ik vind het dan ook heel kwalijk dat ik binnen een half uur weer aan de start moest staan. Dat was onmogelijk. Iedereen wist dat het onmogelijk was, zonder rijwind, zonder tegenstander."
"En wat het erge is: ik reed nog dezelfde slotronde als een half uur eerder.” Alle woorden rollen nog redelijk bedaard over de lippen. Best kunstig voor iemand die bekendstaat om snel oververhit te kunnen raken. “Iedere 1000-meterrijder weet dat als hij wordt overkruist, hij de ander moet laten voorgaan. Dan weet je heus wel dat je niet aan het winnen bent….”
Dit is niet te verteren. Dit hakt er op een ongelooflijke wijze in. Zou de ervaren Jac Orie weten hoe hij deze zwaar beschadigde schaatser op korte termijn weer klaar kan krijgen voor een nieuwe oorlog op de ijzers?
“Lastig, maar dat lukt wel”, meldt de coach. “We hebben er even tijd voor. Langer dan Joep nu had voor zijn nieuwe poging. In dat korte tijdbestek doe je niet veel. Uitfietsen, wat suikers erin gooien. Meer niet. Wat praten, om hem rustig te krijgen. We zullen zien hoe het uitpakt.”