De onderlinge strijd loopt als een rode draad door hun leven, liet Scheperkamp tussen de bedrijven door al weten voor de camera van de NOS. Als kleine jochies op de skeelerbaan vochten de twee om de prijzen en dat is in al die jaren nauwelijks veranderd. Het ruwe asfalt is intussen ingeruild voor het gladde ijs van Thialf, de onderlinge competitie is gebleven. Of iemand al die tijd de score heeft bijgehouden? Vast niet, maar Botman vs Scheperkamp staat in elk geval altijd garant voor spektakel.
Op de slotdag van het nationaal kampioenschap was dat niet anders. Nadat ze op de tweede 500 meter tot op drie cijfers achter de komma dezelfde tijd reden (34,775) mochten ze al gebroederlijk op de hoogste trede van het podium staan. “We halen het beste in elkaar naar boven”, sprak Scheperkamp nadien, maar in het eindklassement was het later Botman die de boventoon voerde en de man in het magenta die met lege handen stond.
Bij Botman (25) viel na een lastig seizoen, dat begon met een hamstringblessure, alles op zijn plek. Dat werd ook wel tijd, liet hij achteraf weten. Na zijn wereldtitel op de 1000 meter bij de junioren, intussen zeven jaar geleden, wist hij immers nooit meer iets groots te winnen. “Op het gegeven moment beginnen de jaren te tellen, ook al ben ik nog niet eens zo oud. Maar met gasten als Jordan en Jenning (Stolz en De Boo, red.) als tegenstanders wil je zelf ook wel eens iets winnen. Anders wordt het met de jaren een steeds lastiger verhaal. Dan is het mooi dat ik 'm nu kan binnentikken.”
Of de drie ritten die hij dit weekend tegen Scheperkamp mocht rijden daarbij hadden geholpen, betwijfelde hij. De twee kemphanen willen met al die gezamenlijke historie niet voor elkaar onderdoen, als topsporters rijden ze altijd op hun hardst. “En als je een steekje laat vallen, sta je naast het podium. Dat zie je aan Merijn”, zei Botman. Aan het plan van Scheperkamp lag het niet, aan de uitvoering wel, zo vertelde hij. “Ik wilde de eerste 600 meter zo snel rijden dat hij op de laatste kruising niets meer aan me zou hebben. Dat lukte niet. Ik maakte te veel fouten en reed technisch niet goed. Ik heb aan heel veel dingen gewerkt, maar het komt er gewoon niet uit.”
Sterker nog: Scheperkamp greep helemaal naast het podium. Tim Prins en Kayo Vos staken hem dankzij een goede afsluitende 1000 meter nog voorbij. Voor Prins, die als tweede eindigde, was het weer een gevalletje ‘net niet’. De bittere nasmaak van het OKT en de matrixrel die daarop volgde had hij nog niet helemaal weggespoeld. Het NK-zilver kon die pijn ook niet verzachten. Vos, de man met het brons, was daarentegen wel opgelucht en blij dat hij nog het eindpodium haalde.
“Toen ik na Prins over de streep kwam, zag ik dat het net niet genoeg was”, zei hij. Balend reed hij uit, terugdenkend aan de 1000 meter van zaterdag waar hij een halve seconde had laten liggen. De slotrit tussen Botman en Scheperkamp gaf echter de doorslag: toch nog derde. Lachend: “Dat had ik helemaal niet door, totdat mijn coaches me erop wezen. Dat had ik echt niet meer verwacht. En ja, het is een podiumplaats, maar eigenlijk moet je er nog drie bij rekenen”, zei hij doelend op de afwezige Joep Wennemars, Kjeld Nuis en Jenning de Boo. Hij keek gelijk al uit naar volgend jaar, wanneer hij ook mét alle concurrenten aan de start een plek op het hoogste schavot hoopt af te dwingen en een startplek voor het EK wil veroveren.
Dat WK-ticket voor de eerstkomende editie gaat dus naar Botman. Hij heeft nu drieënhalve dag om voldoende te herstellen voor opnieuw een sprintvierkamp. Vooruitblikkend op wat hij donderdag kan uitrichten, wilde hij nog niet al te veel kwijt. “Een klassering heb ik niet in mijn hoofd, want ik heb dit seizoen nog geen internationale wedstrijden gereden. De buitenlandse schaatsers heb ik al een jaar niet gezien. Zij zullen ook wel zeggen: ‘Oh ja, jij bent er ook nog’.”
Prins krijgt kunstje nog niet onder de knie
Voor Tim Prins was het NK het volgende hoofdstuk in een seizoen waarin voor de Fries niks écht lukte. Het verhaal van het OKT mag intussen bekend zijn, in het slot van de winter vielen de puzzelstukjes ook niet op zijn plek. Voor de man van de middellange afstanden stond er deze keer geen selectiecommissie op zijn weg naar het mondiale podium, maar de 500 meter. “Daarop heb ik het zelf laten liggen dit weekend”, sprak hij met het NK-zilver om zijn nek.
“Het is een trucje dat ik op dit moment niet onder de knie heb”, klonk zijn analyse van de vliegensvlugge ijsgoochelaars die in 34 seconden twee keer net een halve tel sneller waren dan hijzelf. “Het is een technisch verhaal: je moet de agressie en finesse samenbrengen in een slag waarin je vermogen kan leveren.” Prins lukte dat niet, al zou het wel moeten kunnen, denkt hij. “Volgens mijn coaches kan ik met de beste van Nederland mee met mogelijk zelfs 34 laag. Ik zie het mezelf alleen nog niet doen.”
Met het WK nog te gaan zit het seizoen voor Prins er dus op. Hij kon gelukkig alweer met goede moed vooruit kijken naar volgend jaar. “Mijn 1000 meters waren gewoon goed. Dat geeft hoop dat mijn niveau niet wegzakt en structureel goed blijft. Die afstand blijft samen met de 1500 meter ook gewoon mijn speerpunt. Alleen pak ik misschien de 500 meter in de World Cup er dan ook eens bij, als dat kan natuurlijk.”