In Eetcafé Jonker Sikke zet Wilma een kopje koffie achter de bar. Ze verblijft deze week (de eerste week van december) zoals wel vaker, in haar appartementje in Jellum, boven het café van jeugdvriend Allard. Met een brede glimlach en haar hondje Malibu, ooit door haar gered uit een opvang in Los Angeles, schuift ze aan. Terwijl ze gaat zitten, wijst ze naar buiten. “Hé, daar fietst Jorrit Bergsma.”
Wat oogt als een rustig koffiemoment is in werkelijkheid een korte tussenstop in een leven dat zich afspeelt tussen drie werelden. Friesland als oplaadpunt. Los Angeles als thuisbasis, waar ze dertig jaar woonde en haar kinderen opgroeiden. En Astana als werkplaats, functioneel en intens. “Kazachstan is letterlijk alleen mijn baan”, zegt ze. “Ik woon in een hotel dat vastzit aan de ijsbaan. Eigenlijk woon ik op de ijsbaan.”
Boomstra noemt haar bestaan zonder omhaal 'chaotisch'. Even later volgt een constatering die ze niet dramatiseert, maar ook niet verbloemt. “Het is ook wel een beetje eenzaam.” Ze leeft uit een koffer, in hotels en vliegtuigen. Toch zit er rust in de manier waarop ze erover praat. Ze heeft haar leven opgeknipt in overzichtelijke blokken. “Ik heb het voor mezelf uitgezet in een periode van twee jaar. Dat is te overzien. Oogkleppen op, focus en let’s go.”
Die focus is helder: Kazachstan in achttien maanden klaarstomen voor het olympisch jaar. World Cups rijden, quota verzamelen, en tegelijk bouwen aan een ploeg die niet alleen fysiek sterker wordt, maar ook mentaal stabieler. Jarenlang draaiden de Kazachse schaatsers een programma met relatief weinig volume, lagere intensiteit en veel rust. De omschakeling vraagt maatwerk. Het gaat om aanvoelen. “Wie kan wat aan, lichamelijk én mentaal?”
Praat Boomstra over vluchten en planning, dan klinkt vooral logistiek en focus. Zodra het over coachen gaat, dan spreekt ze met vuur. “Als ik op het ijs sta en met training bezig ben, dan voel ik: dit is wat ik wil doen. Coachen is echt mijn ding.” Die bevlogenheid zit voor haar niet alleen in het resultaat. Het gaat om die journey”, zegt ze. “Samen doelen stellen, samen stappen zetten. Daar leef ik van.”
Haar specialisme is techniek. Met een honger naar details ziet Boomstra wat anderen missen en weet dat vooral bij jonge rijders snel te vertalen naar efficiënter schaatsen. Bij oudere atleten is ze realistischer. Patronen die jarenlang zijn ingesleten, verander je niet zomaar. Dan is niets aanpassen soms de beste keuze. “If it ain’t broken, don’t fix it”, zegt ze. Dan gaat het niet meer om grote ingrepen, maar om het juiste individuele programma en strategie.
Boomstra is helder over haar normen. Ze gelooft in hard werken en in het ontbreken van shortcuts. Inzet is niet onderhandelbaar. “Als jij mij iedere dag honderd procent geeft, dan krijg je ook honderd procent terug”, zegt ze. “Maar als iemand structureel op tachtig procent blijft hangen, dan gaat mijn energie naar iemand anders.”
Tegelijk kijkt ze kritisch naar zichzelf en haar tijd als bondscoach in de Verenigde Staten. “Misschien was ik toen te veeleisend, als ik terugkijk.” Die turbulente fase, waarin ze tien maanden voor de Spelen werd ontslagen, ziet ze inmiddels als een noodzakelijke les. “Achteraf had ik dingen als leider beter moeten aanpakken”, zegt ze. “Niet eens zozeer als coach, maar als leider van het team.” Ze leerde haar ego parkeren, emoties toelaten en daarna weer loslaten. “Voel het”, zegt ze. “Maar blijf er niet in hangen.”
Wie Boomstra alleen ziet als coach, mist een essentieel deel van haar drijfveren. Ze heeft een sterk gevoel voor rechtvaardigheid, iets wat al vroeg in haar leven aanwezig was. “Ik kwam altijd al op voor mensen in een kwetsbare positie. Maar het is meer geworden na wat ik heb gezien in Los Angeles.”
Haar kinderen zijn ‘mixed’, en in Amerika zag ze van dichtbij hoe ongelijkheid en discriminatie werken. “Ik ben wit, Europees, bevoorrecht”, zegt ze. “Maar mijn kinderen niet.” Juist daarom voelt ze de verantwoordelijkheid om haar stem te gebruiken. Ze noemt zichzelf geen activist, maar zwijgen is voor haar geen optie. “Als ik iets zie of hoor dat niet klopt, dan zeg ik er iets van. Ook in de schaatswereld.”
Over de World Tour in Dordrecht, een paar weken geleden, zegt Wilma: “Ik was echt teleurgesteld.” Denis Nikisha, één van haar sleutelrijders, kampte met een nek- en rughernia. Eerder dit jaar, in Montreal, moest Boomstra hem uit de wedstrijden halen. “Hij kon gewoon niet schaatsen”, zegt ze. In Gdansk leek het beter te gaan, tot één fout in de slotfase een belangrijke kans op olympische punten wegvaagde. “Dat was dé kans om punten te scoren voor de Spelen. En die glipte ons uit handen.” In Dordrecht lag het team opnieuw goed, tot een valpartij het hele plan onderuit haalde. “Dat was de relay dream”, zegt ze. “En die viel in één moment weg.”
Wat haar misschien nog het meest frustreerde: in training was het niveau er wél. Op wedstrijdmomenten raakten rijders verstrikt in hun hoofd. “Ze gingen te veel in hun eigen hoofd zitten. En dan wordt het alleen maar slechter.” Toch zag ze ook lichtpunten. Jonge vrouwen die B-finales haalden, een debutante die zonder ervaring standhield. “En dan denk je: waarom kwam dit er niet eerder uit?”
Voor nu kijkt ze niet verder dan Milaan. “Ik wil eerst honderd procent focussen op het spelen.” Haar prioriteit ligt bij Nikisha. “Ik ben er nog steeds van overtuigd dat hij een medaille kan halen op de Spelen, maar dan moeten we hem eerst helemaal gezond krijgen.”
Na Milaan wacht nog een WK. En daarna? “Wie weet? Ik heb geen idee.” Wat ze wél zeker weet, is dat ze wil blijven coachen. “Ik ben er gewoon goed in en ik vind het mooi.” Ontwikkelen, bouwen, mensen beter maken. Tussen Jellum en Astana, tussen thuis en werk, blijft één ding overeind: haar overtuiging dat groei nooit stopt. Niet voor haar rijders, en niet voor haarzelf.