Vrijdagavond stonden er in de Iceberg vijf gebroken mannen. De relayfinale was als een nachtmerrie verlopen. Een val vroeg in de eerste bocht en een rampzalige misrekening in de aflossing voor brons in de laatste twee rondes.

Sjinkie Knegt beende meteen de baan af. Niels Kerstholt lag verslagen op het ijs. Ook Daan Breeuwsma wilde het liefste door de ijsvloer zakken en lag op zijn rug op de baan. Freek van der Wart huilde van ongeloof en diepe teleurstelling.

Knegt was na de nederlaag tegenover de pers rustig en nuchter als altijd. Hij had gevochten en gestreden, maar het was ze niet gelukt. Zijn lichaam vertelde een ander verhaal. Hij stond gebogen, met hangende schouders. Weggevlucht van de teleurstelling op het ijs.

Van der Wart, die in de eerste bocht was gevallen, kon zijn tranen nauwelijks bedwingen, net als Daan Breeuwsma, die de ondankbare taak had gekregen om te finishen terwijl hij na een venijnige virusinfectie nog niet de absolute topvorm te pakken had.

De verwarring, de pijn, het straalde van de beide mannen af, die netjes in de mixed zone de pers te woord stonden. Terwijl Breeuwsma zijn verhaal deed stond Van der Wart tegen de muur geleund te wachten tot hij klaar was. Ze waren kapot, maar professioneel genoeg om zich niet aan de pers te onttrekken, hoe graag ze dat ongetwijfeld hadden gedaan. Urenlang in een donkere kleedkamer zitten en maar hopen dat de verschrikkelijke finale een onwaarheid zou worden.

Kerstholt, de analyticus, had de fouten gezien tijdens de wedstrijd. De ploeg was in paniek geraakt na de val en had in de chaos geen rust gevonden om de kansen te doen keren. Die analyse was geen troost voor Kerstholt. "Waarom gebeurt ons dit nu", vroeg hij zich hardop af. Hij hield droge ogen, dat wel, maar de dreun van het verlies was van zijn gezicht af te lezen. Afgemat was hij, verslagen zoals nog nooit iemand verslagen was.

Als laatste van de Oranje-mannen kwam Jeroen Otter bij de pers. Hij had zich expres even verborgen gehouden, eventjes maar, om tot rust te komen. Hij voelde zich gesloopt. Kalm begon de bondscoach aan zijn verhaal. Maar ook zijn stem, de stem van de altijd nuchtere, kalme coach, de koning van het understatement, brak.

Hij vloekte en sloeg met een gebalde vuist op het hekje dat de pers van de sporters scheidt. Hij schaamde zich voor zijn frustratie en teleurstelling en herstelde zich. Otter had Nederland willen tonen wat voor geweldige sport shorttrack is. Hij had willen laten zien dat zijn mannen en vrouwen van niets tot olympische hoogten hadden kunnen stijgen in slechts vier jaar.

Hij had gedroomd van jongenskamers met shorttrackposters, van meisjes die Jorien ter Mors wilden worden. Otter wilde shorttrack in ons land met een oorverdovende knal op de kaart zetten, maar de starter had die visie in een klap tot een dagdroom gemaakt.

Het verdriet in de gangen van de Iceberg was fysiek voelbaar. Het was nog groter omdat het als team gevoeld werd: vervijfvoudigd droop de teleurstelling van de wanden. Maar de shorttrackers zijn weerbaar. Die eigenschap is onontbeerlijk in die sport. Ze zullen wel moeten. Ik hoop maar dat ze de klap te boven komen, want Otters doel verdient het om waargemaakt te worden: shorttrack is een geweldige sport en verdient een stevige sokkel in het Nederlandse sportlandschap.