Het valt ook niet te onderschatten, de Spelen. Het is hard werken, niet alleen voor de sporters, maar ook voor de verslaggevers. Dat is bij elke Olympische Spelen wel het geval, maar bij deze editie nog wat meer.
Bijna elke dag zijn er wel drie verhalen te vertellen, die het allemaal verdienen om op de voorpagina te komen of bovenaan de sportwebsites.
We hadden het spel van duizendsten tussen Michel Mulder en Smeekens, de opvallende overwinning van Jorien ter Mors en daarbij de teleurstelling van Ireen Wüst. Margot Boer doorbrak haar vierde-plaatstrauma en zo ging het elke dag maar door. We trekken hier nu al bijna twee weken al onze registers aan creativiteit open.
Die inkt van inspiratie begon aardig op te drogen, vooral met de tien kilometer in zicht. Die kon bijna wel op papier worden afgedaan, was het idee. We zagen er tegenop.
We verwachtten weinig spektakel, weinig verrassingen. Er waren erbij die al een opzetje voor hun verslag klaar hadden staan met Kramer zijn revanche voor Vancouver als insteek. Bergsma had gestreden voor wat hij waard was en De Jong was blij met brons.
Het pakte weer volledig anders uit en in een klap was de medaillemoeheid van de gezichten van het journaille weggevaagd. Als opgewonden schooljongens en –meisjes bespraken we in de mixed zone wat we nu weer voor spektakel hadden meegemaakt.
Ineens waren we eensgezind: wat was de tien kilometer toch een mooie afstand. We hadden vragen genoeg, lege lonkende krantenkolommen en inspiratie te over.
Zulke strijd, dergelijk drama en die vreugde, dat is waar de sportjournalistiek in wezen om draait en dinsdagavond waren we daar volop getuige van.
Met nieuwe energie kijk ik daarom uit naar de komende dagen. Wat kunnen we nog meer niet verwachten?