Die gebalde vuisten waren terecht. Het pas 18-jarige talent uit Eemdijk reed een dijk van een Vierdaagse, zegevierde in de eerste drie etappes en had wellicht ook de finale nog op zijn naam kunnen schrijven. Maar uit tactisch oogpunt hoefde dat juist helemaal niet.

’’Winnaar van de Vierdaagse, dat klinkt supermooi. Had ik van tevoren niet verwacht’’, vertelde Bart Hoolwerf. De twijfels zaten in het onbekende. ’’Het is toch vier dagen, een groot peloton. Dan moet je ook een beetje geluk hebben. Alles moet op z’n plek vallen.’’

Pas na wedstrijd nummer drie in Breda was Hoolwerf er wat meer gerust op. Maar toch was er nog spanning voor de finale in Alkmaar. ’’Gezonde spanning. Maar zeker ook een beetje zenuwen. Weet je, negentien punten is veel, maar je bent het ook zomaar kwijt. Als ik val, is het zo gebeurd.’’

Eenmaal in de wedstrijd voelde hij al snel dat het met de benen ook op die vierde dag nog goed zat. Verder had hij eigenlijk alleen oog voor Kars Jansman en Kevin Hoekstra. ’’Die stonden het dichtste bij. Allebei gevaarlijke jongens. Rap, vaak in een groepje mee.’’ De kopgroep van tien rijders die een ronde voorsprong pakte, kwam Hoolwerf daarom goed uit. ’’De punten waren er meteen uit. Mijn ploegleider Peter de Vries gebaarde ook dat het wel goed zat. Het was klaar. Beslist.’’

Daarmee veroverde Bart Hoolwerf de eerste hoofdprijs in zijn nog prille loopbaan. Want zo ziet hij de Vierdaagse absoluut. ’’Zeker, dit is een hartstikke mooie prijs die ik heel graag wilde winnen. Ik heb in het weekend ook veel contact gehad met mijn broer Evert (in trainingskamp in Inzell, red.) en die had veel advies voor me. Wat ik het beste kon doen en zo. Ja, daar luister ik naar. Hij is mijn grote broer, rijdt al twee jaar op het hoogste niveau en heeft ervaring met meerdaagse wedstrijden.’’

Bart Hoolwerf is in rap tempo bezig de Beloften te ontgroeien. Rijp voor de stap naar het hoogste niveau, waar hij dan de degens mag kruisen met zijn broer Evert. Daar kijkt de jongste Hoolwerf nu al naar uit. ’’Geweldig. Ik droom er wel eens van, dat ik in een sprint tegen Evert aan het rijden ben. Wie er dan wint? Ik natuurlijk.’’