In de rubriek 'Vraag en antwoord' stellen wij de vragen van fans aan de sporters. Wat heb jij altijd al willen weten? Houd onze social media in de gaten en wie weet kiezen wij jouw vraag uit. Deze week de antwoorden van Hein Otterspeer.

Waarom ben je begonnen met schaatsen? – Janey Baudina
"Toevallig ligt er een natuurijsbaan achter mijn ouderlijk huis (in Ouderkerk aan den IJssel, red.). Ook eentje van 400 meter. Sinds ik kan lopen, ben ik daar ook mee opgegroeid als er natuurijs lag. Mijn basisschool organiseerde wedstrijdjes. En zo kwam ik daar op. Ik weet nog dat ik moest wachten op het jeugdschaatsen omdat het vol zat. Dat heeft volgens mij twee jaar geduurd. Ik was tien jaar toen ik begon met schaatsen. Dus vanaf mijn achtste was het al duidelijk dat ik deze sport heel mooi vond. Je moet heel veel dingen beheersen om goed te kunnen schaatsen en hebt verschillende trainingsvormen nodig. De snelheden en hoe je die in de bocht op kan bouwen. Dat heeft me van jongs af aan warm gehouden. En natuurlijk de wedstrijden op tv. De Spelen in Nagano en de gouden race van Van Velde in 2002. Die tijd heb ik natuurlijk wel meegemaakt. Toentertijd was Ids Postma mijn held."

Hoe blijf je gemotiveerd om door te blijven gaan met schaatsen? – Mariska Roijackers
"Ik zie nog steeds licht aan het einde van de tunnel. Het is belangrijk om plezier te hebben. Maar je moet je ook ergens aan vast klampen. Een doel hebben. Je geeft er natuurlijk veel voor op. Zoals mijn gezin, maar ook mijn familie die in het zuiden van Nederland woont. Maar de kleine dingetjes in een training neem je mee naar huis. De snelheden die je goed gereden hebt. De tijd die je op de klok neer gezet. Dat hele plan waar je mee bezig bent om straks in december goed te rijden en uiteindelijk naar de Spelen te gaan. Dat houdt je op de been. Daar heb ik nog nooit aan getwijfeld eigenlijk. Natuurlijk heb je het wel eens taai als je er naast staat. Zoals vorig jaar. Dan ben je alleen maar gefrustreerd van ‘hoe kan dat nou?’. Maar uiteindelijk is diep van binnen die vlam nog steeds aan. Daar leef je op. Je kiest er voor. Het is niet moeten, maar willen. Je wilt daar heen dus dan wil je daar dingen voor opgeven. Soms is dat niet even leuk maar dat hoort bij topsport. Ik kan me voorstellen dat als je beseft dat de motivatie minder wordt je eens na moet gaan denken over de toekomst."

Hein Otterspeer in zijn APPM-pak | Foto : Sander Chamid

Wat vind je de mooiste kleurencombinatie voor een schaatspak? – Myrna
"Kijk eens aan! Als ik een lievelingskleur moet zeggen, is dat blauw. Het pak van APPM, een van mijn eerste schaatsteams, vond ik altijd wel een mooie. Veel zwart er in vind ik ook mooi. Een kleurtje op de borst, of dat nou geel, blauw of groen is. Ik vind dit zwart-geel wel echt mooi en niet omdat het mijn eigen pak is. Laat het een keer zwart met blauw zijn, dan klopt het helemaal, ha. Mijn favoriete olympische pak? De tijd vliegt wat dat betreft. Je hebt veel legendarische kleuren. Maar het olympisch pak van Salt Lake City had wel wat."

Hoe kom je het snelst weg bij de start? – Daniëla Zwols
"Als je zoveel mogelijk energie in een voorwaartse beweging stopt. Bij de start zit je vaak wat in elkaar en zodra het startschot gaat, heb ik soms ook een handje van, is je eerste reactie eigenlijk dat je omhoog wilt. Bij de echte topsprinters, de goede 100 meter rijders, zie je dat ze eigenlijk vanaf de startpositie alleen maar zakken. In het atletiek bij Usain Bolt zie je bijvoorbeeld dat hij na 40 meter pas omhoog kijkt. Nou, moet je eens 40 meter uitstippelen en een rondje rennen. Dan zal je merken dat je na twee, drie stappen al naar voren kijkt. En hij richt zich pas op na 40 meter om die topsnelheid te generen. Dat is heel erg lastig. Zeker als je wat groter bent, net als ik. Heel veel oefenen dus. Bijvoorbeeld in een elastiek hangen. Dan baart dat wel kunst. Je moet een hoek creëren waar je in blijft 'vallen' en net op tijd je voeten op de juiste plek er onder zien te krijgen. Als het lukt, is dat wel heel gaaf."

"De ene keer val je net in het startschot en de andere keer duurt het wat langer. Je moet gefixeerd zijn op elk geluidje dus als je dat hoort, moet je eigenlijk al weg zijn. Daar denk je niet over na, dat gebeurt gewoon. Vooral niet denken bij de start, ha. Denken kost ook tijd."

Foto : Soenar Chamid

Met welke ronding schaats je? – Peter Kluft
"Ik ben vroeger begonnen met ronding 22 à 23. Op dit moment rijd ik wel vlakker. Hoe vlakker je rijdt, hoe moeilijker het is om terug te sturen. Maar op topsnelheid komt die ronding pas tot zijn recht. En dat is voor mij belangrijk. Op dat moment wil ik de juiste grip hebben. De juiste slagen kunnen maken, met de juiste frequentie. En als ik ronder rijd, heb ik daar moeite mee. Ik rijd ook minder lekker als ik rustig rijd maar op topsnelheid moet het goed zijn. Dat is het belangrijkste."

Hoe ben je zo goed geworden? En wat is jouw kracht? – Rolf Drage
"Dat is lastig om van jezelf te zeggen natuurlijk. Vroeger heb ik veel met mijn broertje getraind. Hij is twee jaar jonger maar wel iets groter dan ik. Hij heeft altijd heel goed gefietst. Dus we waren vreselijk aan elkaar gewaagd en dat zit er eigenlijk al van jongs af aan in. Qua spelletjes en wedstrijdjes. Dat heeft mij gestimuleerd. Als je de beste wilt zijn, moet je hem ook verslaan. Maar hij kon vreselijk goed sprinten op de fiets dus ik moest alles op alles zetten om dat te bewerkstelligen. Dat neem je toch mee. Ik was eigenlijk alleen maar bezig met schaatser worden. Maar ik moest al die randzaken eerst even oplossen, zoals mijn eindexamen halen. Daarna kon ik voluit gaan schaatsen, wat ik het liefste doen. Toen ben ik eigenlijk de jongensdroom gaan leven. Je verlaat huis, familie en gaat in Heerenveen wonen. Het begin van een topsportleven. En je kunt er natuurlijk wel een groot feest van maken maar daar word je in de winter op afgerekend. Uiteindelijk vallen er zoveel dingen weg en hoef je je alleen maar zorgen te maken om trainingen en jezelf goed verzorgen. Ik realiseerde me dat ik een kans had aangegrepen maar er wel wat van moest maken. Hoe hoger je komt op de topsportladder, hoe mooier het wordt. Ook al zijn het maar een x aantal momenten per jaar dat je beseft ‘dit is het mooiste wat er is’, dat is voor een topsporter al genoeg."

"Mijn kracht als sprinter is de laatste paar honderd meter. Op een 500 meter kan ik op iemand die heel hard opent nog veel goed maken. Als ik daar bijvoorbeeld twee tiende verlies, heb ik het vertrouwen dat ik goed genoeg ben om vanaf de kruising, de laatste bocht en het rechte stuk die twee, drie tiende weer te winnen. In het verleden is ook wel gebleken dat ik net voor de finish diegene nog inhaalde. Omdat mijn topsnelheid hoger is. Als alles goed gaat, is dat mijn kracht."

Door Anjuli Veltman - Laatste update op 09 sep 2017 om 11:55